Dit artikel verscheen in FORUM+ Lente 2017

Naar volledige editie →

Ex Libris

Gevonden! Vier partituren, vijf (?) composities van Gaspare Spontini

Jan Dewilde
Koninklijk Conservatorium Antwerpen

Voor één keer trekt deze rubriek extra muros. Het gaat dan ook om een uitzonderlijke partiturenvondst, die door het Nederlandse tijdschrift Luister werd omschreven als ‘de grootste muziekhistorische vondst van de eenentwintigste eeuw’. Het is niet dat niemand wist dat er sinds jaar en dag enkele oude muziekmanuscripten lagen tussen de zowat drieduizend boeken in de fraaie bibliotheek van kasteel d’Ursel in Hingene, alleen waren er een klaarziend oog en nader onderzoek nodig om te achterhalen dat het ging om vier unieke, want definitief verloren gewaande autografen van de Italiaanse componist Gaspare Spontini (1774-1851).

Het gebeurt niet alle dagen dat van een grote naam uit de muziekgeschiedenis in één klap vier substantiële werken worden teruggevonden. En Spontini ís een belangrijke naam uit de operageschiedenis. Zijn La Vestale, een tragédie lyrique uit 1807, wordt beschouwd als het onmisbaar verbindingsteken tussen de achttiende en negentiende eeuw – de Opéra van Parijs plaatste op zijn façade Spontini’s buste niet voor niets tussen Mozart en Meyerbeer. Met zijn Franse opera’s beïnvloedde hij de volgende generaties, van Rossini tot Meyerbeer en van Berlioz tot Wagner. Vooral Berlioz koesterde een grote bewondering voor Spontini. Dat blijkt onder meer uit zijn Grand traité d’instrumentation et d’orchestration modernes waarin hij, met grote lof, vernieuwende orkestratievoorbeelden uit diens opera’s citeert.
In de tweede helft van de negentiende eeuw nam de belangstelling voor Spontini’s opera’s geleidelijk aan af – al bracht de Koninklijke Vlaamse Opera in 1909 nog met veel succes La Vestale in een Nederlandse vertaling van Paul Billiet. Toen deze opera in 1954 in La Scala in Milaan werd opgevoerd, met Maria Callas in de hoofdrol en in een regie van Luchino Visconti, flakkerde de belangstelling en waardering voor Spontini opnieuw op. Hetzelfde jaar nog werd in Florence zijn lyrisch drama Agnes von Hohenstaufen opgevoerd en naast Callas gingen ook grote zangers als Montserrat Caballé en Franco Corelli, en dirigenten als Riccardo Muti zich over Spontini’s werk buigen.
Dankzij de inspanningen van de Fondazione Pergolesi Spontini in Jesi, die met nieuwe kritische uitgaven opvoeringen faciliteert, is er de laatste jaren zelfs sprake van een heuse Spontini-revival. Zo werd La Vestale opgevoerd in het Parijse Théâtre des Champs-Élysées (2013) en in De Munt in Brussel (2015), en in 2016 waren er excellente concertante uitvoeringen van Olimpie (1819) in Parijs en in het Concertgebouw in Amsterdam. Die hernieuwde belangstelling wordt ook gevoed door internationaal onderzoek en publicaties. Én door het opduiken van verloren gewaande composities. In 2007 werd in Londen La fuga in maschera teruggevonden, een in 1800 voor Napels gecomponeerde opera buffa. Deze vondst leidde tot uitvoeringen in Jesi (bij Spontini’s geboorteplaats Maiolati Spontini in de Italiaanse streek Le Marche) en tot een dvd-opname.

Pagina uit Spontini’s L’eccelsa gara, bewaard in de bibliotheek van kasteel d’Ursel in Hingene.

De vier partituren die onlangs werden teruggevonden sluiten chronologisch naadloos aan bij La fuga in maschera en hoorden waarschijnlijk ooit bij elkaar (ze zijn alle op dezelfde manier ingebonden). De vier in Hingene gevonden werken staan in Spontini’s oeuvrelijst in de Grove Music Online als ‘lost’ vermeld, soms ook met foute titels. Het gaat om de drie laatste opera’s die hij op Italiaanse bodem componeerde en een cantate die hij in Parijs schreef.
Il quadro parlante (1800) is een dramma giocoso dat Spontini componeerde voor het Teatro Santa Cecilia in Palermo. Als hofcomponist was hij in 1798 samen met zijn broodheer Ferdinand, koning van Napels, vanuit het revolutionaire Napels naar Palermo gevlucht. Ook de tweede teruggevonden opera, Il geloso e l’audace, is een dramma giocoso in twee aktes. Het stuk werd op 3 november 1801 gecreëerd in het Teatro Valle in Rome, het operahuis waar in 1817 Rossini’s La Cenerentola in première zou gaan. Het libretto dat Giovanni Bertati voor Il geloso e l’audace schreef, is een typische buffo-plot die zich in Napels afspeelt: een jonge, stoutmoedige man heeft een oogje op een begeerlijke, rijke weduwe en wil daartoe twee andere rivalen uitschakelen. En dan is er nog Spontini’s allerlaatste Italiaanse opera: Le metamorfosi di Pasquale, een farsa giocoso die hij in 1802 op een libretto van Giuseppe Foppa componeerde voor het carnavalseizoen in het Teatro San Mosé in Venetië. Zoals de metamorfosi in de titel al doet vermoeden, is het een farsa vol verkleedpartijen en misverstanden.

Eind 1802 liet Spontini Italië achter zich en reisde hij via Marseille naar Parijs, waar hij afscheid nam van de Italiaanse opera buffa-stijl. Hij verzekerde zich er ook van de steun van Napoleon en vooral van Josephine, die hem benoemde tot haar ‘compositeur particulier de la chambre’. Ondanks zijn eenvoudige afkomst, had Spontini het talent om zich te nestelen in de schaduw van de macht. In Italië genoot hij de steun van de Bourbons, in Parijs van het keizerlijke echtpaar en in Berlijn van de koning van Pruisen. Spontini legde daarbij een grote flexibiliteit aan de dag. Dat Napoleon, zijn beschermheer in Parijs, in 1805 zijn vroegere Italiaanse patroon Ferdinand van de troon had verdreven, belette hem niet om kort na Napoleons overwinning in de Slag van Austerlitz op 2 december 1805, een huldecantate te schrijven voor de keizer. Ook die cantate werd in de kasteelbibliotheek teruggevonden: L’eccelsa gara, op een tekst van Luigi Balocchi (die later Rossini het libretto voor Il viaggio a Reims zou bezorgen).
Om Napoleon te loven en te prijzen grepen Spontini en Balocchi in deze cantate terug op het model van de barokke allegorische hofopera. Apollo en Minerva dalen van de Elyzeese velden af om Homeros, Virgilius en Tasso te vragen de roem te bezingen van Frankrijk, en dus van Napoleon. Die drie grote dichters zijn niet toevallig gekozen: ze representeren het antieke Griekenland, het oude Rome en Italië. Dit gelegenheidswerk moest vanzelfsprekend kort na de bezongen feiten worden uitgevoerd – de uitvoering vond al plaats op 8 februari 1806 in het Théâtre Louvois in Parijs – zodat Spontini niet de tijd had om een volledig nieuw werk te schrijven. Daarom recycleerde hij fragmenten uit Gli elisi delusi, een werk dat in 1800 in Palermo was gecreëerd. In de teruggevonden cantate is duidelijk te zien hoe de nieuwe tekst van Balocchi op delen uit die vroegere opera is geënt. Het verschil in Italiaans en Frans muziekpapier maakt ook duidelijk welke delen Spontini in allerijl voor de cantate heeft gecomponeerd.
Deze teruggevonden partituur is uitermate interessant, omdat ze niet alleen de verloren Napoleoncantate boven water brengt, maar omdat ze bovendien belangrijke delen van de verloren gewaande tweeakter Gli elisi delusi bevat. Van dat melodramma buffo was tot nu alleen de eerste akte bewaard; onderzoek moet nu uitwijzen in welke mate die opera al dan niet volledig gereconstrueerd kan worden. De vier autografen leveren dus misschien wel (bijna) vijf werken op.

Hoe zijn deze vier partituren, kostbaar Italiaans muziekerfgoed, nu terechtgekomen in een kasteelbibliotheek in een klein, landelijk dorp in Vlaanderen? Het ultieme bewijs hebben we nog niet in handen, maar het kan niet anders dan dat de sleutel ligt bij Spontini’s vrouw, Céleste Érard. Bij zijn aankomst in Parijs zocht Spontini contact met de broers Jean-Baptiste en Jean-Sébastien Érard, bij wie hij een piano kocht. En bij de muziekuitgeverij Mesdemoiselles Érard, nichten van de harpen en piano’s bouwende broers, liet hij twee vroege Franse opera’s publiceren. Die contacten met de familie Érard zouden in 1810 leiden tot het huwelijk tussen Gaspare en Céleste, een dochter van Jean-Sébastien Érard. Datzelfde jaar werd Spontini ook gelauwerd met de eerste Prix décennal de l’Académie des Beaux Arts voor zijn opera La Vestale, die zo bekroond werd als de beste opera van het decennium.
Gaspare en Céleste hadden een kinderloos, maar blijkbaar gelukkig huwelijk. Ook François-Joseph Fétis vermeldt dat expliciet in het uitgebreide artikel in zijn Biographie universelle des musiciens: ‘Cette union fut, pour Spontini, la source la plus pure de son bonheur.’ Céleste volgde haar man van Parijs naar Berlijn en terug naar Italië, en na diens dood resideerde ze tot haar dood in La Muette, het familiekasteel van de Érards in Parijs. In datzelfde kasteel werd in 1877 Sabine Franquet de Franqueville geboren, dochter van Charles Franquet de Franqueville en Marie Érard. Zij zou in 1898 op La Muette trouwen met hertog Robert d’Ursel en nadien op het kasteel d’Ursel in Hingene gaan wonen. Het kan dus niet anders dan dat de partituren langs deze weg in de kasteelbibliotheek zijn terechtgekomen. En aangezien er geen inventaris van de bibliotheek voorhanden is, bleven ze onzichtbaar voor onderzoekers. Tot onlangs…
Het belang van deze vondst is moeilijk te overschatten. Deze vier teruggevonden werken dateren uit een periode in Spontini’s leven die door gebrek aan bronnen nog veel lacunes vertoont, namelijk de overgang tussen zijn vroege carrière in Italië en zijn activiteiten in Parijs, vóór de creatie van La Vestale. Dankzij deze werken kan zijn artistieke productie uit deze periode eindelijk grondig bestudeerd worden. Een eerste onderzoek toont alvast hoe vlug en hoe drastisch Spontini zijn Franse stijl ontwikkelde. Tussen Le metamorfosi di Pasquale, de laatste Italiaanse opera, en de eerste versie van La Vestale ligt drie jaar, maar stilistisch is er een wereld van verschil tussen de pre-Rossinistijl van zijn laatste Italiaanse werken en de classicistische stijl van La Vestale.
Bovendien zijn deze partituren niet alleen van groot internationaal muziekhistorisch en artistiek belang, ze vertellen ook de boeiende geschiedenis van de families Érard en d’Ursel, en dus ook van het kasteel van Hingene. Die zomerresidentie van de familie d’Ursel heeft trouwens nóg een belangrijke Italiaanse connectie: het kasteel werd ontworpen door de beroemde Italiaanse schilder, decorateur en architect Giovanni Niccolò Servandoni (1695-1766). Deze Servandoni werkte voor adellijke families en gekroonde hoofden en bouwde spectaculaire decors en tableaux vivants voor feesten aan Europese hoven. In Engeland is hij nog bekend als de man die het vuurwerkspektakel bouwde voor de eerste uitvoering in 1749 van Handels Music for the Royal Fireworks, en in Frankrijk geniet hij enige bekendheid omwille van de gevel die hij bouwde voor de kerk van Saint-Sulpice.
De kasteelbibliotheek werd samen met een deel van de originele inboedel in 2009 door de familie d’Ursel in langdurige bruikleen gegeven aan de provincie Antwerpen, die sinds 1994 eigenaar van het kasteel is. De familie d’Ursel en de provincie willen graag de manuscripten ter beschikking stellen voor onderzoek, uitgave en uitvoeringen, en hebben daarom een onderzoeksgroep binnen de bibliotheek van het Koninklijk Conservatorium Antwerpen aangezocht om met die partituren aan de slag te gaan. Ondertussen werd er intens overleg gepleegd met de Fondazione Spontini, en het ziet ernaar uit dat de opera’s binnen afzienbare tijd zullen worden uitgevoerd in Rome, Venetië, Palermo en Jesi. Het enthousiasme is er alleszins bijzonder groot. En op dit ogenblik wordt alles in gereedheid gebracht om de Napoleoncantate al in 2017 uit te voeren. In Antwerpen!

Dit artikel verscheen in FORUM+ Lente 2017

Download dit artikel