Dit artikel verscheen in FORUM+ Herfst 2020

Dossier Onderzoeksmethoden in de kunsten

Presentatie als methode. Naar een geïntegreerde benadering van disseminatie in artistiek onderzoek

Mariske Broeckmeyer
LUCA School of Arts & KU Leuven

Net als in meer traditioneel academisch wetenschappelijk onderzoek wordt de artistiek onderzoeker vaak verzocht zijn of haar methodiek te duiden. Zowel een talige als een artistieke flexibiliteit blijkt noodzakelijk om te kunnen resoneren met een divers publiek uit uiteenlopende contexten. Methodologische uiteenzettingen resulteren echter meestal in abstracte retrospectieve reflecties die soms volledig losstaan van het daadwerkelijke werk. Vertrekkende vanuit haar eigen ervaring als jonge onderzoekster in de kunsten, voert Mariske Broeckmeyer een pleidooi voor een natuurlijke integratie van de methodiek ín het artistieke werk – een doel dat enkel te bereiken is wanneer de flexibiliteit van de kunstenaar ten volle wordt benut en de vele diverse momenten van disseminatie de leidraad, zelfs de essentie vormen voor de ontwikkeling van het onderzoek en de artistieke praktijk.

The artistic researcher, just like his or her more traditional academic scientific colleagues, is often supposed to clarify his or her methodology. Both a linguistic and an artistic flexibility are required to be able to resonate with a diverse audience from different contexts. Yet methodological explanations usually result in abstract retrospective reflections that sometimes bear no relation to the actual work. Drawing on her own experience as a young researcher in the arts, Mariske Broeckmeyer makes a case for a natural integration of methodology into the artistic work – a goal that can only be achieved when the artist’s flexibility is used to its full potential and when the many and various moments of dissemination become the guiding principle, or even the essence, of the development of the research and the artistic practice.

Zich welbewust van de vakspecifieke gebruiken en maniertjes, inherent aan het artistieke veld waarin zij zich begeeft, ontwikkelt de kunstenares een stem die voortaan haar werk zal accompagneren en propaganderen. Deze tongval, rechtstreeks ontsproten uit haar artistieke praktijk, heeft wortels die diep geankerd zijn in de intieme verhouding die zij heeft met haar publiek, alsook haar criticus. Wanneer zij beslist haar praktijk te verruimen door deze te introduceren in de wereld van het artistiek onderzoek, overschrijdt ze een drempel en betreedt ze de arena van academische grandeur.

Hier gelden andere conventies en weerklinkt een hoogwaardige en eloquente taal die haar niet eigen is. In de hoop tot het verkrijgen van een dubbele nationaliteit en zich bijgevolg burger te mogen noemen van zowel het koninkrijk der kunsten als het imperium der colleges, weekt en wentelt ze zich in welsprekendheid. Dit doet ze gretig, maar toch beraadt ze zich over hoe in de gratie te vallen van deze kritische tribune aan academische experts zonder haar artistieke impulsen te verloochenen.

Voortaan draagt de kunstenares de titel: artistiek onderzoeker en weldra zal ook zij begrijpen dat niet louter de kunst van het opgepoetst praten het gat zal kunnen dichten tussen beide immens verschillende werelden. Van nu af aan zal ze zich overgeven aan een spel van subtiele transfiguraties en epische gedaantewisselingen. Al fluctuerend tussen galerijen en bibliotheken, concertzalen en conferentiehallen, studio’s en seminars, kneedt en kleurt ze haar stem naar de context van haar toehoorders. Elke setting zal haar vragen om volstrekt van invalshoek te wijzigen en steeds radicaal de toegangspoort te herontwerpen waardoor het publiek naar binnen wordt geleid. Ze zal haar timbre dermate transformeren en temperen, dat de taal haar vaak niet eigen lijkt, en zo ook haar werk vanuit zulke contra-intuïtieve hoeken benaderen dat het haar instincten doet steigeren en stotteren.

Deze dans der metamorfosen is desalniettemin van vitaal belang in het opzet om echt met een publiek te resoneren. Elke menigte vraagt de belichting en beklemtoning van een verschillend aspect van het werk en behoeft een apart proza in de aanspreking om alle facetten te kunnen vatten en verteren. Wie deze inspanning tracht te ontwijken, riskeert voeling te verliezen met zowel het artistieke als het academische veld en bijgevolg het volle potentieel van dit medium mis te lopen – want hoe kan men verwachten dat de echo duidelijk weerklinkt wanneer haar roep faalt in verstaanbaarheid?

Ik ben er daarom van overtuigd dat het domein van het artistiek onderzoek van zijn bezetters een gezonde hoeveelheid aan generositeit verlangt, een gewilligheid om zich telkens opnieuw aan te passen aan een context – dit natuurlijk zonder zichzelf te verloochenen, maar juist door zichzelf te herdefiniëren en te verdiepen. Wanneer de stem tracht te reiken, bestaat de kans dat de kunstenares zich stort in de kloof tussen deze twee immens verschillende werelden. Het is net in die beweging dat de mogelijkheid ontstaat tot het blootleggen van onontgonnen gronden. Ongetwijfeld ligt er een gigantisch potentieel in deze kraters, en wie weet ontkiemen er uit deze vruchtbare bodems nieuwe dialecten die verwachtingen overstijgen en op galante wijze grenzen overvleugelen.

Maar dit alles heeft niet enkel invloed op de vocaliteit van onze artistiek onderzoeker, de impact dringt vaak veel dieper door dan dat. Het presenteren van werk is niet enkel inherent aan de artistieke activiteit, het is vaak het absolute objectief en daardoor het fundament van haar bestaan. Om die reden is het niet absurd te stellen dat ook in artistiek onderzoek deze momenten van disseminatie van groot belang zijn. Doordat deze gelegenheden dermate talrijk en steeds zo verschillend zijn, zijn het vaak niet enkel de tongval van de kunstenaar maar ook de werkvorm en zelfs het werkop zich die beïnvloed worden door de context waarin ze zullen worden gepresenteerd. De artistiek onderzoeker leeft van presentatie naar presentatie, werkt vaak met compleet uiteenlopende media en in functie van een steeds totaal verschillend publiek. Deze conferenties, tentoonstellingen, performances en seminars behandelen bovendien vaak een eigen thematiek, die bijgevolg dan ook telkens nauwgezet geïntegreerd dient te worden.

De methodiek wordt niet langer losgetrokken in afstandelijk retrospectieve reflecties, maar resoneert voortaan door elke presentatie op een esthetisch waardevolle en geïntegreerde manier.

Men zou dit alles als een vervelende opgave kunnen beschouwen, iets wat het onderzoek vertraagt, zelfs tegenhoudt, maar evengoed valt uit dit traject van eeuwige zijsporen inspiratie te putten. Deze omwegen kunnen het onderzoek een verrassende koers doen varen, juist doordat de kunstenaar wordt uitgedaagd minder voor de hand liggende thematieken te integreren, met nieuwe materialen te werken, diverse werkvormen te hanteren en een onbekend publiek te bereiken. Deze flexibiliteit zal de artistieke praktijk bijgevolg aanzienlijk verrijken.

Juist door de onvermijdelijke hoeveelheid aan diverse presentatiemomenten is, naar mijn gevoel, disseminatie als methode zelfs inherent aan artistiek onderzoek. Het is echter aan de kunstenaar om te beslissen in welke mate deze zich hierin verdiept. Volledig overgegeven aan deze methode wordt disseminatie veel meer dan het louter verspreiden van tussentijdse onderzoeksinzichten. Presentaties fungeren als de spil van het onderzoeksproces en krijgen door de vereiste hoeveelheid aan flexibiliteit van de onderzoeker zelfs een performatief karakter. Sterker nog, mogelijk zal de presentatie, zowel in geschreven als gesproken setting, zich zowaar ontpoppen tot een volwaardige performance. Deze dans der metamorfosen, de belichaming van disseminatie als methode, blijkt zo een ware kunst op zich.

Nu is het juist doordat kunst een tastbare beleving en een dieper inzicht biedt, dat disseminatie als methode, disseminatie van methode opslorpt en overstijgt. De methodiek wordt niet langer losgetrokken in afstandelijk retrospectieve reflecties, maar resoneert voortaan door elke presentatie op een esthetisch waardevolle en geïntegreerde manier. Door het onlosmakelijk verbonden zijn van middel en doel, schijnt de methodiek ongedwongen door het werk heen en biedt deze zo een antwoord op de onmiskenbare manie voor methodiek waarvoor mijn vakgebied nog steeds vatbaar lijkt. Want vloeit de eindeloze drang naar het herkauwen en analyseren van ieders methode niet voort uit een onnodige onzekerheid, een collectieve behoefte aan validering en definiëring van het terrein waarop artistiek onderzoek zich begeeft? Is deze erkenning niet veel meer te vinden in de kwaliteit van de kunst dan in de voortdurende uiteenzetting van haar totstandkoming? Wanneer disseminatie een methode wordt en deze methodiek op haar beurt reflecteert door het werk heen, belicht men, naar mijn gevoel, ten volle het potentieel van artistiek onderzoek. In de schaduw van deze schijnwerpers ontbloot het onderzoek in de kunsten zijn essentie.

+++

MARISKE BROECKMEYER

behaalde een master in de muziek aan Koninklijk Conservatorium Brussel en werkt momenteel als zangeres en sound-artist aan een doctoraat in de kunsten aan LUCA School of Arts (Vlaanderen) en KU Leuven. Haar onderzoek, gesitueerd binnen de onderzoekseenheid Music & Drama, buigt zich over migraine-muziek als een artistiek fenomeen en is een zoektocht naar de esthetiek van het falen. mariske.broeckmeyer@kuleuven.be