Dit artikel verscheen in FORUM+ Lente 2018

Ex libris

De Lady Erskine Canzonettas van Willem De Fesch

Jan Dewilde
Koninklijk Conservatorium Antwerpen

De muzikale ontdekkingsreiziger Charles Burney noemde hem een Duitser, maar Willem De Fesch (1687-1761) was, in het prenationale Europa, een ware kosmopoliet. Zijn ouders stamden uit Luik, maar hij werd in Alkmaar geboren; hij kreeg zijn opleiding vermoedelijk in Luik, werkte als violist in Amsterdam, was kapelmeester in Antwerpen, en leefde en werkte drie decennia lang in Londen. Zijn muziek klinkt dan ook internationaal, met invloeden van Vivaldi, Corelli én Handel.

De Fesch was een leerling van de in Luik geboren violist en componist Carl (Charles) Rogier (1640-1725), met wiens dochter Maria Anna, een zangeres, hij trouwde. Sommige bronnen vermelden ook kapelmeester en componist Alphonse d’Eve als zijn leraar. Rond 1710 vestigde De Fesch zich in Amsterdam, waar hij samen met zijn vrouw verbonden was aan de Stadsschouwburg en naam maakte als vioolvirtuoos.

In 1725 verliet hij Amsterdam om in Antwerpen Alphonse d’Eve op te volgen als kapelmeester van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal. De Fesch genoot toen al in Antwerpen een zekere reputatie, na verschillende optredens als violist in het theater van het Tapissierspand. Zijn verblijf in de Scheldestad zou niet ongemerkt voorbijgaan, al was dat niet altijd om muzikale redenen. Al kort na zijn optreden kreeg hij het aan de stok met de kathedraalorganist Dieudonné Raick, en in de volgende jaren werden herhaaldelijk problemen met de koraaltjes en de kerkzangers gemeld, wat weer leidde tot conflicten met de kapittelheren. De Fesch moet een slecht karakter hebben gekoppeld aan een heftig temperament, waardoor hij niet altijd even zachtaardig met zijn kerkmuzikanten omging. In de kathedraalarchieven is sprake van ‘menigvuldige buytensporigheden door Mr De Fesch begaen (...) in het slaen der choralen’. Ook zou hij zangers hebben afgeperst om hem en zijn vrouw geschenken te geven en zou hij hen niet van voldoende ‘spijs ende dranck’ hebben voorzien. De Fesch wou geen verontschuldigingen aanbieden, laat staan vergiffenis vragen, en besliste, al dan niet daartoe gedwongen, om andere oorden op te zoeken.

In 1731 trok hij naar Londen, toen een van de belangrijkste muziekcentra. Daar kon hij zich ten volle ontplooien als concertviolist, waarbij hij zijn eigen virtuoze composities uitvoerde. Vanaf 1746 was hij de eerste violist van Handels orkest en in 1748 en 1749 leidde hij zelf het orkest van Marylebone Gardens. Ook als componist kende hij aan de andere kant van het Kanaal succes. Zijn oratorium Judith werd in 1733 gecreëerd en zeven jaar later hernomen, en in het midden van de jaren 1740 kende hij succes met de pastorale serenade Love and friendship en met het oratorium Joseph, twee werken die in de daaropvolgende jaren nog verschillende keren werden uitgevoerd. In Londen componeerde hij verder nog sonates, concerto’s en liederen op Italiaanse en Engelse teksten. Sommige van die liederen werden gebruikt in theaterproducties, bijvoorbeeld in de opvoering van The Tempest in 1746 in het Drury Lane Theatre. Andere liederen werden afgedrukt in periodieken als The London Magazine, The Universal Magazine en The Gentleman’s Magazine, of verschenen afzonderlijk als bladmuziek of in liedanthologieën. Ook als vioolleraar genoot hij een zekere renommee: hij stond bekend als ‘a respectable professor on the violin’. Vanaf 1750 wordt het echter stil rond hem; William De Fesch – zoals hij in Londen werd genoemd – lijkt zich uit het publieke leven te hebben teruggetrokken. Hij overlijdt in Londen op 3 januari 1761.

Van De Fesch’ Antwerpse jaren bewaren we in de Antwerpse Conservatoriumbibliotheek enkele interessante en waardevolle getuigenissen, zoals de autograaf van zijn Missa Paschalis (1730) en een vroege druk van de Canzonette ed arie die hij rond 1730 componeerde. De teksten van zestien van de zeventien canzonetta’s zijn van de hand van de Italiaanse dichter Paolo Rolli (1687-1767), ook bekend als librettist van Handel en Bononcini. Wie de auteur is van de canzonetta Non intendi en van de drie aria’s is voorlopig nog een raadsel.
Met de canzonetta’s, eenvoudige en galante liefdesliederen in Italiaanse stijl, richtte De Fesch zich duidelijk op de goed opgeleide amateur. Ze hebben een beperkte tessituur en kennen een strofische opbouw, waarbij de melodie nauwgezet de tekst volgt. Ook de da capo-aria’s, gebaseerd op één stanza, zijn niet gericht op epateren, maar bedoeld voor intiem musiceren in huiselijke kring. De extra viool- of fluitpartij ad libitum kunnen de canzonetta’s en aria’s wel een extra cachet geven.
Deze bundel is opgedragen aan Lady Frances Erskine (?-1776) en staat daarom bekend als de Lady Erskine Canzonettas, wat ze onderscheidt van de rond 1734 gecomponeerde Miss Ashe Canzonettas.
Lady Frances Erskine was de dochter van John Erskine, Earl of Mar, een Schotse Jakobiet, en Lady Frances Pierrepont. Ze was gehuwd met ene James Erskine en ging zodoende als Lady Erskine door het leven. De relatie tussen De Fesch en de Schotse familie Erskine is niet helemaal duidelijk. Wel was er een connectie tussen de Erskines en Antwerpen: leden van de familie moeten er een tijdje hebben gewoond. Bovendien moet de familie in het bezit zijn geweest van een afbeelding in koper van Mary Stuart, ‘Queen of Scots’. Die moet ooit in de Antwerpse Sint-Andrieskerk hebben gehangen op de mooie epitaaf van Elisabeth Curle en haar schoonzus Barbara Moubray, twee hofdames van de katholieke Schotse koningin Mary Stuart. Vóór haar terechtstelling in 1587, op bevel van koningin Elisabeth I, zou Mary Stuart die afbeelding aan de twee hofdames hebben gegeven, die later, zoals zovele katholieke landgenoten, hun land ontvluchtten en in Antwerpen hun toevlucht zochten. In Antwerpen bewoonden ze een pand dat in de volksmond al vlug het ‘Engels huis’ zou heten. Vermoedelijk niet toevallig stond dat huis in de schaduw van de Sint-Andrieskerk: Sint-Andreas is de patroonheilige van Schotland. Volgens de wilsbeschikking van de hofdames werd na hun dood in de Sint-Andrieskerk een epitaaf opgericht bij hun nu verdwenen graven. Die epitaaf toont nu nog de patroonheiligen van de twee vrouwen en een ovale portret van de terechtgestelde Schotse koningin. Ooit zou daar ook de koperen afbeelding van de koningin moeten hebben gehangen. Volgens The Gazetteer of Scotland uit 1838 moeten de Erskines dat object naar Schotland hebben teruggebracht, waar het later bij een brand werd vernield. Volgens diezelfde bron zou Lady Frances Erskine een miniatuurkopie van het portret gehad hebben. Hoe het ook zij, Frances Erskine heeft zich na de dood van haar vader in 1732 in Londen gevestigd, het jaar na het vertrek van De Fesch uit Antwerpen. In Londen trad ze op als De Fesch’ patrones.

De bundel werd tijdens De Fesch’ leven verschillende keren herdrukt, en kende een ruime verspreiding in bibliotheken en privécollecties over heel Europa. De populariteit blijkt ook uit de contrafacten die de Nederlandse dichter en predikant Rutger Schutte (1708-1784) op basis van De Fesch’ canzonetta’s maakte voor zijn vierdelige werk Stichtelijke gezangen (1762). Liederen doken bovendien op in allerlei liedverzamelingen en anthologieën, zelfs tot in de twintigste eeuw. De Antwerpse uitgeverij De Ring publiceerde tijdens het interbellum canzonetta’s van De Fesch, met een door Julius Van Etsen gerealiseerde pianopartij en met een Nederlandse vertaling van Jozef Simons.
De bibliotheek van het Koninklijk Conservatorium Antwerpen bewaart een Amsterdamse druk door G.F. Witvogel uit ca. 1737. Deze bundel draagt een vroeg inventarisnummer (2871), maar helaas is de provenance niet meer te achterhalen.

+++

Jan Dewilde

is coördinator van het Studiecentrumb voor Vlaamse Muziek en leidt de bibliotheek van het Koninklijk Conservatorium Antwerpen. Aan het Antwerps Conservatorium coördineert hij de onderzoeksgroep Labo XIX&XX. Hij is editor van de partiturenreeks The Flemish Music Collection (Musikproduktion Höflich, München) en heeft tal van publicaties over Vlaamse muziek op zijn naam.
jan.dewilde@ap.be