Dit artikel verscheen in FORUM+ Lente 2018

Editoriaal

Institutionele enkelband

Klaas Tindemans
Adviesredacteur FORUM+

Dit nummer van FORUM+ bevat een meer dan behartenswaardige bijdrage over de relatie tussen artistiek en wetenschappelijk onderzoek, met name in de humanities. Nele Wynants en Pascal Gielen betogen dat artistiek onderzoek ondergesneeuwde academische beginselen als subjectiviteit en oorspronkelijkheid als hefboom zou kunnen inzetten om de verschuiving naar kwantificeerbaarheid in de wetenschappen van cultuur en samenleving een halt toe te roepen. Zo lees ik tenminste hun tekst.

Het gebeurt regelmatig genoeg dat de kunst de wetenschap uitdaagt. Een goed voorbeeld is het doctoraat van Koen Dries aan het Brusselse Conservatorium over ademhalingstechnieken van saxofoonspelers. Als we de technische onderzoeksvragen buiten beschouwing laten, is Dries’ onderzoek alleszins een sterk pleidooi voor de waarde van ‘impliciete’ en/of ‘belichaamde’ kennis. Of dit soort inzichten ook het beleid inzake onderzoek bereiken, dat is een andere kwestie. Want tegelijk blijkt dat er nog heel wat misverstanden bestaan over de relatie tussen wetenschap en kunst, althans wat onderzoek betreft. In ieder geval nog genoeg stof voor discussie, zoals ook duidelijk wordt uit de reactie van Nicolas Baeyens op Dieter Lesage, die in een vorig nummer van FORUM+ pleitte tegen het ‘supplement’ bij Doctoraten in de Kunsten. Maar ook op het institutionele niveau blijven er wanverhoudingen bestaan. Bij de hervorming van het hoger onderwijs in aansluiting bij de Bolognaverklaringen in 1999 – die in Vlaanderen onder de dubbelzinnige noemer ‘academisering’ gebeurde – zijn er associaties gevormd tussen universiteiten en hogescholen. Er werd toen ook een onderscheid geïnstalleerd tussen ‘academische’ en ‘professionele’ opleidingen aan de hogescholen. Op termijn zouden die ‘academische’ opleidingen inkantelen – nog zo’n raar woord – in de universiteiten. Na enig gebakkelei kantelden de kunstopleidingen toch niet in: zij behielden als Schools of Arts een eigen statuut binnen de hogescholen, maar voor het uitbouwen van doctoraatstrajecten ‘in de kunsten’ moesten ze wel met de universiteiten een gemeenschappelijke onderzoeksomgeving creëren. Dit maakte een inhoudelijke samenwerking tussen kunst en wetenschap mogelijk, én de universiteiten behielden op die manier hun monopolie op het uitreiken van het doctoraatsdiploma – dat is de machtspolitieke achtergrond.

Het blijft de vraag of een dergelijke samenwerking niet ook tot stand zou zijn gekomen zonder deze institutionele verplichting. Ik twijfel hier weleens aan de intellectuele oprechtheid. Soms zeggen universitaire academici dat het gaat om een specifieke inhoudelijke inbreng, namelijk de ervaring met ‘onderzoek’ als zodanig. Kunstenaars weten in principe inderdaad niet wat wetenschappelijk onderzoek is, en ze hoeven dat ook niet te weten, want zij verrichten artistiek onderzoek. Wetenschapsfilosoof Jean-Paul Van Bendegem merkte onlangs nog op – bij een colloquium over artistiek onderzoek dat het Brussels Kunstenplatform en de onderzoeksgroep ARTO van de Vrije Universiteit Brussel organiseerden – dat aan wetenschappelijke doctorandi in principe gevraagd wordt naar een reflectie over de wetenschappelijkheid van hun wetenschappelijke praktijk. Dus zouden doctorandi in de kunsten, logischerwijs, in hun onderzoek moeten nadenken over de ‘artisticiteit’ van hun artistieke praktijk. Inderdaad, als er ergens een moment zou kunnen zijn waarop een kunstenaar tijd kan maken voor een dergelijke reflectie, dan is dat tijdens een doctoraatstraject.

Mijn punt is dat dit vasthouden aan een institutioneel monopolie begrijpelijk, maar tegelijk absurd is. De praktijk van de samenwerkingsverbanden, bij alle Vlaamse associaties, toont immers aan dat er wel degelijk sprake is van een loyale uitwisseling van ideeën en praktijken. Platformen en onderzoeksgroepen als het Antwerp Research Institute for the Arts (ARIA) en ARTO/Kunstenplatform Brussel bewijzen dat elke dag, net zoals minder geformaliseerde verdiepende samenwerkingen, bijvoorbeeld in Gent tussen de onderzoeksgroep SPAM en KASK School of Arts. Maar op een moment dat er zogenaamd ‘hogere’ belangen – van hogescholen of universiteiten – op het spel staan, zou de institutionele druk weleens kunnen toenemen, ook zonder kwalijke intenties of machtspolitiek armgeworstel. Institutioneel roert er van alles: er is de (kunst)hogeschool LUCA, ontstaan uit de Schools of Arts van de (transregionale) associatie KU Leuven, er zijn de intenties voor een verregaande alliantie tussen de Brusselse Erasmushogeschool en de Hogeschool Gent. Wie tussen de regels leest van deze (geplande) herstructureringen in het landschap van het hoger onderwijs, ziet dat het hier niet in de eerste plaats om een inhoudelijke versterking van onderwijs en onderzoek gaat. Hoe verschillend deze operaties ook zijn, het risico bestaat dat kunstopleidingen – en dan met name hun ‘geacademiseerde’ onderzoekspraktijk – hier wel eens het kind van de rekening kunnen worden. Schaalvergroting is het minst zinnige antwoord op de bekommernis om meer slagkracht voor artistieke onderzoeksomgevingen. Onder andere daarom pleit ik – als eerste stap naar een mogelijke rolverschuiving van de Schools of Arts – voor een volledige verantwoordelijkheid van deze kunstscholen voor de doctoraten in de kunsten, inclusief de uitreiking van de diploma’s. Dat heeft ook consequenties voor onderzoeksmiddelen, waarvan het huidige groeipad sowieso eindig is. De variabele financiering van onderzoek, mede afhankelijk van het aantal doctoraten, kan dan rechtstreeks naar de Schools of Arts vloeien. Een fair economisch argument, me dunkt, dat bovendien een discussie over outputfinanciering op een juiste manier concreter maakt.

Schools of Arts zíjn academisch, dat wil zeggen, hun onderwijspraktijk is gebaseerd op onderzoek en op de ‘beoefening der kunsten’, zoals dat heet. Waarom dan nog een institutionele enkelband? We zullen echt niet weglopen. En de geesten ‘op de vloer’ – artistieke onderzoekers en nieuwsgierige wetenschappers – zijn genoeg gerijpt om overtuigd te zijn van hun intellectuele lotsverbondenheid.