Dit artikel verscheen in FORUM+ Lente 2020

Artistiek onderzoek als een integrerende kracht: De rol van het masteronderzoek aan de Nederlandse conservatoria

Paul Craenen
Koninklijk Conservatorium Den Haag

In de nasleep van het Bolognaproces hebben de meeste conservatoria in Europa aanzienlijke inspanningen geleverd om onderzoek te integreren in opleidingen op masterniveau. In formele zin lijkt die integratie vandaag de dag een feit, ook al is in de concrete uitwerking het proces nog lang niet voltooid en zijn alle consequenties ervan nog niet uitgekristalliseerd. Toch verwacht ik dat de aandacht in de komende jaren geleidelijk zal verschuiven van de integratie van onderzoek als dusdanig naar de mogelijkheden om artistiek onderzoek aan te wenden als een kracht die binnen het curriculum zelf integrerend werkt. Om die verschuiving beter te begrijpen, moeten we onze focus richten op de veranderende perceptie van de rol en de mogelijkheden van artistiek onderzoek in kunstopleidingen. In dit artikel sta ik stil bij benaderingen van onderzoek aan Nederlandse conservatoria, waarbij ik me in het bijzonder laat inspireren door actuele curriculumhervormingen aan het Koninklijk Conservatorium Den Haag, waar ik als lector (onderzoeksprofessor) ben aangesteld.1

In the aftermath of the Bologna process, most conservatories in Europe spent considerable effort on the integration of research in their curricula. In this article, Paul Craenen reflects upon what has been achieved in recent years, but most of all speculate about what is yet to come. His focus will be on current approaches to research at Dutch music conservatories and is in particular inspired by recent curriculum reforms at the Royal Conservatoire The Hague, where Craenen holds a position as a research professor. However, he hopes that these reflections will have relevance for other countries as well, despite differences in educational cultures and research policies.

Van academische vereisten naar professionele behoeften

Tot enkele jaren geleden werd de implementatie van onderzoeksvaardigheden in muziekopleidingen door velen nog aangevoeld als de intrusie van een vreemd element, als een aanpassing die van bovenaf werd opgelegd. Onderzoekscomponenten werden opgevat als verplichte ‘aanvullingen op het traditionele dieet van 1 op 1 lessen met een gespecialiseerde docent, masterclasses en ensemblewerk’.1 Hoewel de rol van de praktijk in artistiek onderzoek2 vanaf het begin werd benadrukt, noodzaakte haar integratie ook de introductie van onderzoeksnormen en standaarden. De onzekerheid en de discussies over de gewenste aanpak van onderzoeksbegeleiding, presentatie en beoordeling getuigden van een moeizaam academiseringsproces. Het verbeteren van de kwaliteit van deze elementen is voor veel conservatoria nog steeds een zorg, maar ondertussen heeft een snel veranderend muziekveld andere educatieve uitdagingen op het voorplan geschoven. Een carrière als solist, componist of dirigent is altijd al het voorrecht geweest van een zeer beperkt aantal musici, maar vandaag zijn ook de vooruitzichten op een vaste baan bij een professioneel orkest, gesubsidieerd ensemble of zelfs in het muziekonderwijs minder rooskleurig dan voorheen. Daarnaast biedt het toenemende belang van interdisciplinariteit in de podiumkunsten en de groeiende belangstelling voor muziek in domeinen als gezondheidszorg of sociaal-cultureel werk nieuwe mogelijkheden. Het muzikale beroep wordt meer hybride, wat een actualisering van de leerplannen vereist. De veranderende professionele horizon beïnvloedt ook de houding tegenover onderzoek in muziekopleidingen. De eerste bezorgdheid gaat niet meer uit naar de academische normen waaraan artistiek onderzoek zou moeten voldoen, maar naar de wijze waarop dit type onderzoek tegemoet kan komen aan de behoeften en verwachtingen van het werkveld.

De verschuivende aandacht van academisch gepast naar professioneel relevant onderzoek is echter niet alleen een kwestie van verschuivende prioriteiten. Het wijst ook op een groeiend zelfvertrouwen. Conservatoria zijn intussen vertrouwd geraakt met de mogelijkheden en het open karakter van artistiek onderzoek, en er lijkt een impliciete overtuiging te groeien dat onderzoek op masterniveau aangewend kan worden als een instrument om op een integrale, en daarmee ook pragmatische en economische manier in te spelen op bovengenoemde educatieve uitdagingen.

Twee hoofdargumenten lijken dat geloof in een integrerend potentieel van artistiek onderzoek te ondersteunen. Allereerst suggereert artistiek onderzoek de mogelijkheid om de aloude dichotomie tussen praktijk en theorie in muziekonderwijs te overstijgen. Vakken als muziekgeschiedenis, muziektheorie en esthetica worden doorgaans aangeboden zonder directe of actieve verbinding met het hoofdvak (voor muziekafdelingen is dit meestal een instrument, zang, compositie of muziekpedagogiek).3 Artistiek onderzoek biedt een combinatie van denken en doen en legt met die integrale aanpak druk op dit model. Een druk die op zijn beurt wordt versterkt door een tijdseconomische pragmatiek. De tijd die aan artistiek onderzoek wordt besteed, kan immers niet worden besteed aan andere, meer algemene of theoretische cursussen of aan het hoofdvak zelf.

Ten tweede maken de huidige instabiliteit van het muzieklandschap en de evolutie naar portfolio carrières4 het steeds moeilijker om een evenwichtig curriculum aan te bieden dat zowel rekening houdt met een brede muzikale en culturele vorming als met de diverse en gespecialiseerde uitdagingen van het professionele muziekveld. Dit dwingt conservatoria te kiezen voor een modulair curriculum rond één kern, een hoofdvak, aangevuld met keuzevakken en onderzoek. Onderzoek vervult een cruciale rol in deze structuur door een vrije zone te bieden waar studenten zelf een onderwerp kunnen definiëren dat strookt met hun persoonlijke interesses en ambities, en aldus ook professionele relevantie toevoegt. Idealiter wordt het onderzoeksproject de lijm die ervoor zorgt dat alle onderdelen van het curriculum op een zinvolle manier met elkaar verbonden worden. De verantwoordelijkheid voor het samenstellen van een relevant en complementair leerprogramma ligt daarmee bijna volledig in handen van de student. Studenten worden de architecten van hun eigen opleiding. De achterliggende gedachte is dat die zelfredzaamheid een goede voorbereiding vormt op een steeds veranderend muzieklandschap, waarin levenslang leren een noodzaak is.5

Artistiek onderzoek suggereert de mogelijkheid om de aloude dichotomie tussen praktijk en theorie in muziekonderwijs te overstijgen.

Artistiek onderzoek biedt een platform waar elementen van praktijk, theorie, experiment en reflectie gecombineerd kunnen worden in een op maat gemaakt, persoonlijk leertraject. Toch is de relevantie van een dergelijk traject in het mastercurriculum niet in de eerste plaats te vinden in kennisproductie en innovatie, maar in de leerervaring die het vinden en leggen van verbanden via het doen van onderzoek met zich meebrengt. Een ervaring waarvan verondersteld wordt dat het een motiverend voorbeeld kan zijn voor leerprocessen en aanpassingen aan verschillende contexten in het toekomstige beroepsleven of in het voortgezet onderwijs. De student die het verbindende potentieel van artistiek onderzoek ontdekt, leert niet alleen iets bij over het onderzochte, maar leert ook te leren op een adaptieve wijze.

In het algemeen past artistiek onderzoek in een tendens om theoretische kennis praktijkgerichter en om praktische kennis of ervaring meer reflectief te maken. Een conceptueel belangrijk element in dat streven is het concept van belichaamde kennis. Er is een groeiend besef, ook gevoed door het discours rond artistiek onderzoek, dat kennis meer is dan kennis van feiten en theorieën, maar ook ervaring omvat en kennis hoe dingen te doen. Hoewel dit allerminst een nieuwe gedachte is, biedt het tegenwoordig een conceptueel kader voor conservatoria om meer directe verbanden te leggen tussen het hoofdvak, onderzoek en andere vakken.6

In wat volgt wil ik dit potentieel verder onderzoeken, alsook enkele valkuilen bespreken in de opvatting van artistiek onderzoek als een integrerende kracht. Ik richt me daarbij op onderzoek in masteropleidingen, omdat dit het niveau is waar een balans moet worden gevonden tussen de verwachtingen van het werkveld en de meer gespecialiseerde en fundamentele onderzoeksinteresses die kenmerkend zijn voor doctoraatsonderzoek.

Masteronderzoek aan de Nederlandse conservatoria

Indien we op zoek gaan naar bewijs voor een verschuivende benadering van onderzoek, is het zinvol om te kijken naar de manier waarop conservatoria communiceren over de rol van onderzoek in hun leerprogramma’s. De volgende citaten zijn terug te vinden op websites van verschillende Nederlandse conservatoria:

Je leert ‘meester’ te worden van je eigen leertraject, tijdens en ook nog na de masteropleiding, in je ontwikkeling tot professioneel musicus. Onder begeleiding van je studiecoach en hoofdvakdocent schrijf je hiervoor een studieplan, dat begint bij jouw persoonlijke fascinaties en concreet uitwerking krijgt in een vakkenpakket, een onderzoeksplan en een praktijkprojectplan.7

Je krijgt in het hoofdvak volop de mogelijkheid om je muzikale kwaliteiten verder te ontwikkelen. Daarnaast heb je bijvoorbeeld de ruimte om te werken aan jouw unique selling points, door middel van uiteenlopende keuzevakken en je onderzoek – dat je toespitst op jouw beroepspraktijk.8

Het voeren van onderzoek draagt bij aan de ontwikkeling van studenten tot complete muzikanten. De onderzoeksresultaten moeten zo praktisch mogelijk zijn, en relevant voor zowel collega-muzikanten als publiek.9

Op de meeste websites van Nederlandse conservatoria wordt onderzoek gepresenteerd als een essentiële pijler van de masteropleiding. Toch betekent dit niet dat alle weerstanden zijn overwonnen. Ook nu nog spreken sommigen over artistiek onderzoek als een betreurenswaardige academisering die kunstinstellingen ontkoppelt van hun artistieke essentie of ziel. Wat deze critici meestal onderschatten of over het hoofd zien, is de snelheid en flexibiliteit waarmee het hoger kunstonderwijs zich het begrip onderzoek toeëigent. Dat artistiek onderzoek intussen alomtegenwoordig is in leerprogramma’s, betekent niet noodzakelijkerwijs dat conservatoria academischer zijn geworden, maar veeleer dat onderzoeksmodellen worden aangepast en getransformeerd om te kunnen aansluiten bij de doelstellingen, normen en waarden van conservatoria.

Maar wat betekent dit in de praktijk, binnen de muren van het conservatorium? Laten we een korte vergelijking maken van de onderzoeksaanpak in de Nederlandse conservatoria, op basis van wat er op hun websites en in hun studiegidsen geformuleerd wordt, en op basis van persoonlijke communicatie met een aantal van hun onderzoekscoördinatoren.10 Ik zal mijn toetsing structureren aan de hand van verschillende onderzoeksparameters, zoals onderzoeksconcepten, onderwerpen, methoden, begeleiding en uitkomsten.

Onderzoeksconcepten: weinig conservatoria definiëren hun onderzoeksconcept expliciet,11 wel wordt steeds de sterke band met de praktijk benadrukt. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat er binnen een conservatorium heel verschillende perspectieven op onderzoek kunnen bestaan. Alleen al door de afhankelijkheid van specifieke bronnen12 kan onderzoek in afdelingen zoals oude muziek, jazz of compositie een sterk verschillend karakter vertonen. Daarnaast kan een al te rigide definitie van wat onderzoek aan conservatoria vereist contraproductief zijn als je betrokken bent bij gemengde onderzoeksprojecten met universiteiten of maatschappelijke partners zoals medische centra, organisaties voor sociaal-cultureel werk, enzovoort.

Onderzoeksvragen en -onderwerpen: dezelfde openheid kan worden vastgesteld met betrekking tot de inhoud van het onderzoek. In sommige conservatoria kunnen studenten deelnemen aan bestaande projecten van onderzoeksgroepen binnen de school. In het algemeen wordt echter van masterstudenten verwacht dat zij zelf een onderzoeksonderwerp kiezen dat past bij hun interesses, zij het meestal in overleg met hun begeleiders en/of hun hoofdvakdocenten.

Methoden: de vrijheid in termen van onderzoeksinhouden en -concepten leidt tot een onbeperkt aantal potentiële onderzoeksthema’s, en dus ook tot een grote verscheidenheid aan onderzoeksmethodieken en -processen. Hoewel de meeste conservatoria enige methodologische begeleiding bieden, meestal in de vorm van inleidende cursussen of colleges, wordt de keuze voor een onderzoeksmethode meestal aan de student overgelaten.13 Het spreekt voor zich dat deze vrijheid een uitdaging kan vormen voor zowel onderzoekscoaching als -supervisie.

Begeleiding: op de meeste Nederlandse conservatoria krijgt elke masterstudent een onderzoeksbegeleider toegewezen; daarbij zijn er belangrijke verschillen wat betreft de hoeveelheid tijd die een persoonlijke begeleider ter beschikking staat voor individuele studenten (ongeveer vijf tot twintig begeleidingsuren in totaal, afhankelijk van wat er in deze uren is inbegrepen). Sommige conservatoria leggen meer nadruk op het samenbrengen van studenten in peer learning groepen of hebben begeleidende teams die gedurende het onderzoek een aantal keren met de student overleggen. Ook combinaties van deze modellen zijn terug te vinden.

Uitkomsten: de meeste conservatoria verwachten een zelfstandig onderzoeksresultaat dat als dusdanig kan worden beoordeeld door een onderzoekscommissie. Dit is meestal een schriftelijk en gedocumenteerd verslag of scriptie in combinatie met een presentatie die ook van artistieke aard kan zijn. Interessant is echter dat het conservatorium van Maastricht aan het eind van de masteropleiding geen schriftelijke onderzoeksresultaten meer vereist, maar een presentatie die een integraal onderdeel is van een masterproject.14 Mijn inschatting is dat meer conservatoria het voorbeeld zullen volgen om typisch academische outputvereisten los te laten ten gunste van formats die beter geïntegreerd kunnen worden met de presentaties van het artistieke hoofdvak. Voorbeelden hiervan zijn de contextualisering van een muzikaal programma, een verslag van experimenten tijdens de voorbereiding op een muzikale uitvoering, of reflecties op het gedocumenteerde maakproces van een compositie. Wat deze voorbeelden suggereren, is opnieuw een functie van onderzoek als een integrerende kracht, als een instrument dat de muziekpraktijk verruimt en inbedt in bredere artistieke, culturele en academische perspectieven.

Uit dit korte overzicht kunnen we concluderen dat er in een klein land als Nederland nogal wat variatie bestaat in de manier waarop conservatoria onderzoek definiëren, ondersteunen, beoordelen en integreren. Afgaande op de beschrijvingen van hun masteropleidingen lijkt het erop dat de visie op onderzoek zelfs onderdeel kan worden van de profilering als onderwijsinstelling. ‘Onderzoek’ resoneert met reflectiviteit, innovatie en ontdekking. ‘Artistiek’ voegt subjectiviteit, sensibiliteit, creativiteit, ondernemerschap, emancipatie en politiek bewustzijn toe. Juist dit open karakter van artistiek onderzoek biedt een rijk gevulde tafel waaruit conservatoria de elementen kunnen kiezen die ze nuttig vinden om een eigen identiteit te beklemtonen en zich te richten op de interesses van een specifiek muzikantenprofiel.

Gepersonaliseerd onderzoek

Je kiest zelf het onderwerp van je studie: jij bepaalt wat en hoe je bij ons wilt leren. Dit noemen we jouw studieplan... Het complete studieprogramma is gericht op verdere ontwikkeling van een onderzoekende en innovatieve beroepshouding en biedt handvaten om gerichter te kunnen reageren op ontwikkelingen in het werkveld en daarbuiten.15

Binnen deze diversiteit is er één terugkerend element in de communicatie van alle conservatoria: de onderzoeksaanpak is studentgericht en gepersonaliseerd. Dit lijkt ingegeven door de overtuiging dat artistiek onderzoek kan bijdragen aan de vorming van een ‘onafhankelijke artistieke persoonlijkheid’ die zich flexibel kan aanpassen aan de dynamiek van het culturele veld of een eigen professionele ‘niche’ kan creëren. De aanname is dat onderzoek je de vaardigheden en instrumenten kan leveren om je persoonlijke fascinaties te volgen en je in staat kan stellen je te specialiseren op een manier die relevant is voor je professionele toekomst. In het klassieke muziekonderwijs is deze studentgerichte benadering revolutionair, omdat het ingaat tegen het meester-leerlingmodel en de sterke discipline rond gestandaardiseerde instrumenten en repertoires waarmee dit model doorgaans wordt geassocieerd.

Onderzoek vervult een cruciale rol in deze structuur door een vrije zone te bieden waar studenten zelf een onderwerp kunnen definiëren dat strookt met hun persoonlijke interesses en ambities.

Kan een dergelijke studentgerichte aanpak daadwerkelijk helpen om persoonlijke fascinaties om te zetten in een levensvatbare specialisatie of de ontwikkeling van een persoonlijke niche in het muzikale veld? Voor zover ik weet, is er nog geen informatie beschikbaar over de relatie tussen onderzoekskeuzes tijdens conservatoriumstudies en de effecten daarvan op latere beroepscarrières. Toekomstige professionele relevantie zou een toetssteen kunnen zijn voor het evalueren van onderzoek in het mastertraject. Anderzijds dreigt een al te concrete focus op professionele toepasbaarheid vooral onderzoeksthema’s te ondersteunen die dicht bij de bestaande praktijk blijven. De druk om ‘praktisch relevant’ onderzoek af te leveren kan meer fundamentele of experimentele artistieke verkenningen ontmoedigen, ook al zijn deze op langere termijn minstens zo belangrijk voor de levenskracht van een praktijk.

Er is echter nog een ander perspectief mogelijk op het potentieel van een gepersonaliseerde onderzoeksaanpak. Wanneer studenten worden aangespoord om hun persoonlijke fascinaties te volgen, kunnen hun onderzoekskeuzes indicatoren worden voor interesses bij jonge generaties musici, nog voordat ze leiden tot nieuwe niches en praktijken. Op die manier kan een erkenning en stimulering van individuele interesses, in combinatie met een gestructureerde monitoring en evaluatie van de resulterende onderzoekskeuzes, een waardevol instrument worden om na te denken over de actualiteit van leerprogramma’s en de wijze waarop conservatoria al dan niet kunnen inspelen op nieuwe tendenzen. Een bescheiden voorbeeld hiervan vormt de Research Catalogue portal van het Koninklijk Conservatorium Den Haag, waar alle gepubliceerde masteronderzoeksprojecten met vijf trefwoorden in een alfabetische trefwoordenlijst worden getagd.16 Het resulterende overzicht brengt de diversiteit van recent masteronderzoek naar voren, maar ook de (mogelijk tijdelijke) populariteit van bepaalde onderwerpen en onderzoeksgebieden. In omgekeerde richting biedt een dergelijk overzicht een waardevol instrument om zicht te krijgen op wat mogelijk (te) weinig aandacht krijgt: actuele thema’s die studenten nog niet aan de orde stellen en onderzoekslijnen die extra stimulans of ondersteuning nodig hebben. Monitoring en evaluatie van masteronderzoek kan op die manier nuttige data bieden om leerbehoeften top-down en bottom-up tegen elkaar te verhouden.

De uitdaging van diversiteit

Gepersonaliseerd onderzoek brengt een aantal uitdagingen met zich mee. De vrijheid die studenten hebben om hun eigen onderzoeksonderwerp te kiezen, leidt soms tot projecten die de grenzen van hun eigen vakgebied ver te buiten gaan. Een jazzzanger die de mogelijkheden van een historische Japanse poëzievorm als inspiratiebron voor nieuw werk onderzoekt,17 een barokzanger die speculatieve verbanden legt tussen zeventiende-eeuwse muziek, architectuur en schilderkunst18 of een uitvoerder die op basis van recente cognitieve en wetenschappelijke bevindingen onderzoek doet naar geheugentechnieken19: het zijn slechts enkele voorbeelden van de reikwijdte van artistiek onderzoek aan conservatoria. Ze wijzen ook op één van de grootste uitdagingen, namelijk het grenskarakter20 ervan: artistiek onderzoek is gebaseerd op de praktijk, maar maakt bijna altijd gebruik van meer dan alleen haar vertrouwde instrumenten en strategieën. Allereerst impliceert het reflectieve karakter van onderzoek een herhaaldelijk, tijdelijk onderbreken van het feitelijke doen of maken. Die stap achteruit vereist de hulp van een reflecterend medium. Dit kan gesproken of geschreven taal zijn, maar in artistiek onderzoek spelen ook auditieve of visuele documentatie een cruciale rol. Vervolgens zal artistiek onderzoek in zijn reflectie vrijwel altijd ondersteuning zoeken bij aangrenzende of meer perifere kennisgebieden.21 Maar bovenal staan in artistiek onderzoek experiment en nieuwe artistieke benaderingen centraal. Het ‘meer’ van artistiek onderzoek wijst op datgene wat nog niet tot de gangbare praktijk behoort, en is precies wat het onderzoek motiveert.

Maar hoe gaan conservatoria met dat ‘meer’ om? Een beschouwende, kritische pas afstand nemen van de praktijk blijkt voor menig muziekstudent die niet vertrouwd is met kritisch of wetenschappelijk denken een serieuze hindernis. Het voorbereiden van deze masterstudenten op onderzoek komt dan ook vaak neer op het aanbieden van spoedcursussen kritisch denken, documenteren, schrijven en presenteren. Op dat vlak worden conservatoria algauw geconfronteerd met beperkte middelen en inzetbare expertise. Ook de meer ambitieuze en onderzoeksgerichte student moet zich bewust zijn van de gelimiteerde onderzoeksfaciliteiten. Conservatoria beschikken niet noodzakelijkerwijs over de kennisinfrastructuur om een onderzoeksproject dat jazz met Japanse poëzie of muziekuitvoering met neuropsychologie verbindt professioneel te ondersteunen en te begeleiden.22 Zolang een student de maturiteit bezit om een kritische dialoog aan te gaan met deze andere kennisgebieden en zolang originele artistieke resultaten het resultaat zijn, zullen avontuurlijke onderzoeksprojecten worden toegejuicht. Toch kan er meer worden verwacht van hoger onderwijs dan aanmoediging. Wat hebben studenten nodig om een succesvol leertraject aan te vatten dat zich buiten het eigen vakgebied begeeft? Is het artistieke ‘alternatieve perspectief’ een vrijbrief voor ongeïnformeerde, naïeve ontmoetingen met andere kennisgebieden? Hoe om te gaan met de noodzaak om de begane paden te verlaten, zonder de vrijheid van de student in te perken?

Deze vragen worden des te prangender als we vaststellen dat het vaak ontbreekt aan stevige theoretische of methodische kaders die een oriëntatie kunnen geven aan exploratief onderzoek. Meer nog, ik durf te stellen dat er sprake is van een groeiend wantrouwen ten opzichte van theorie zonder of voorafgaand aan de muziekpraktijk. Daarentegen lijkt er een educatief optimisme te zweven rond het concept van artistiek onderzoek, omdat het een combinatie van reflecteren en doen belooft, en uitkomsten die zowel praktisch, nuttig als vooral ook belichaamd zijn. Het gevolg hiervan is dat een van de kernargumenten ter verdediging van artistiek onderzoek in zowel het artistieke als het academische veld, namelijk het vertrouwen op en de directe toegang tot belichaamde kennis, niet alleen een vertrekpunt maar ook een doelstelling wordt: van studenten wordt niet alleen verwacht dat ze door middel van artistiek onderzoek hun kennis in zowel artistieke als intellectuele zin vergroten, maar dat ze uiteindelijk ook de relevantie van die kennisvergroting kunnen aantonen in hun muzikale praktijk. Ik zal verderop beargumenteren dat bij deze verwachting minstens een kritische kanttekening hoort.

Artistiek onderzoek als digestief systeem

De geschetste tendens is tekenend voor een verschuiving van een traditioneel leermodel waar theorie of concepten voorafgaan aan de praktijk, naar een model waarbij concepten vanuit de praktijk aangereikt worden. In het traditionele model leidt het leerproces van expliciete naar impliciete kennis. Een voorbeeld is de traditionele solfège waarbij het begrip van de notennaam of het interval voorafgaat aan het zingen ervan. In het discours rond artistiek onderzoek horen we vaak een tegengesteld uitgangspunt: de gedachte namelijk dat er in de artistieke praktijk al vanaf de start impliciete kennis aanwezig is, in de vorm van lichamelijke kennis of intuïtie die via onderzoek explicieter en bewuster kan worden gemaakt, en die ook als aangrijppunt kan dienen voor experiment en onderzoek.

Vanuit een beleidsperspectief belooft artistiek onderzoek een aantrekkelijke combinatie van beide modellen. Het vertrekpunt van de impliciete kennis suggereert dat onderzoek niet hoeft te starten met theorie, maar met persoonlijke fascinaties en intuïties van de student. Het integratieve leermodel voegt daaraan een vertrouwen toe – of is het hoop? – dat via een proces van autonome studie, experiment en reflectie de student in staat zal zijn om vaardigheden, kennis en begrip op een organische en stapsgewijze manier te vergroten. Het verloop van zo’n leerproces wordt gedreven door de onderzoeksvragen, de interesses en achtergrond van de student, niet door de eis om eerst solide theoretische kaders te internaliseren. De impact van integrale leerbenaderingen valt niet te onderschatten. In hun uiterste consequentie kondigen ze het afscheid aan van muziektheorie, esthetica en zelfs muziekgeschiedenis als zelfstandige, oriënterende bouwstenen van een muziekcurriculum. Vanuit een radicaal praktijkgericht perspectief zal elke leerinhoud die ontkoppeld blijft van het concrete doen of creëren, zich moeten bezinnen over zijn plaats en relatie met andere elementen binnen het curriculum.

Het is cruciaal om hier de educatieve functie van onderzoek in het curriculum in herinnering te roepen. Het eerste doel van masteronderzoek is niet de productie van kennis of innovatie als zodanig, maar het leren ontwikkelen van persoonlijke onderzoeksinstrumenten die later van nut kunnen zijn om uitdagingen in het professionele veld het hoofd te bieden. Het vooropgestelde leerproces steunt op een feedbackloop tussen praktijk, informatie, experiment en reflectie. Op die manier wordt artistiek onderzoek een continu verteringsproces dat kennisopname belooft in directe verbinding met de praktijk, zonder de omweg van een ontkoppeld theoretiseren. Het beoogde leermodel is organisch in plaats van sequentieel.

Maar kunnen we het succes van dit leermodel als vanzelfsprekend beschouwen? Kunnen we van masterstudenten verwachten dat ze onderzoek en praktijk autonoom en in het korte tijdsbestek van een masteronderzoeksproject kunnen integreren? Hoe verhoeden we dat studenten verdwalen op onbekend terrein of zich bij wijze van spreken aan de eigen haren uit het moeras moeten trekken? Een antwoord op deze vragen vereist eerst om een verduidelijking van welke soort kennisintegratie artistiek onderzoek mogelijk maakt, alsook van de rol van het conservatorium in dit proces en de tijd die ervoor nodig is.

Het idee dat de uitkomsten van artistiek onderzoek in de artistieke praktijk moeten worden belichaamd, wekt de verwachting dat ze niet alleen zullen leiden tot meer begrip en inzicht, maar ook tot ‘betere’ musici. Dit is het ultieme argument voor de relevantie van artistiek onderzoek vanuit het perspectief van conservatoria. Maar wat betekent deze verbetering? Het onderzoeken van historische bronnen, alternatieve speeltechnieken of studiemethoden zal niet automatisch leiden tot een overtuigender uitvoering. Onderzoek biedt meestal een verrijkende leerervaring, maar het kan jaren duren voordat onderzoeksresultaten transformeren in muzikaal vakmanschap. Als we de metafoor van het digestieve systeem hanteren, dan karakteriseert artistiek onderzoek zich vaak door een trage stofwisseling.

Hoe ambitieuzer en meer grensverleggend een onderzoeksthema is, des te langer het kan duren om de conclusies en bevindingen in de praktijk te integreren. Daarom pleit ik voor een genuanceerde kijk op de verwachtingen omtrent onderzoek in curricula. Onderzoek dat zich richt op zeer concrete aspecten van de muziekpraktijk zal wellicht leiden tot uitkomsten die ook in die praktijk kunnen worden getoond. Maar vraagstellingen die uit de praktijk opwellen, kunnen ook leiden tot reflecties en inzichten die meer theoretische uitwerking behoeven. Meer algemene, theoretische of experimentele thema’s kunnen deels op geïntegreerde wijze worden onderzocht, maar dit mag niet het eerste evaluatiecriterium zijn. Van studenten die hun artistieke en/of intellectuele horizon via onderzoek aanzienlijk hebben verbreed, kunnen we stellen dat ze gegroeid zijn tot een meer geïnformeerde en mature artistieke persoonlijkheid. Het volstaat een dergelijke integratie van kennis te erkennen op een persoonlijk niveau en in relatie tot hun praktijk. Als we het erover eens zijn dat het profiel van de beroepsmuzikant met een masterdiploma niet kan worden gereduceerd tot louter vakmanschap, dan moet dit ook tot uiting kunnen komen in onze evaluatie van de onderzoeksresultaten.

Naast een onderscheid tussen de integratie van onderzoek in de praktijk enerzijds en artistieke persoonlijkheid anderzijds, kunnen we een integrerende kracht van onderzoek terugvinden op het niveau van conservatoria of artistieke communities. In vergelijking met wetenschappelijk onderzoek is samenwerking in artistiek onderzoek nog eerder uitzondering dan regel. Het stimuleren van kennisuitwisseling en het zich bewust worden en opzoeken van complementariteit is misschien wel een van de belangrijkste werkpunten in het bouwen aan een onderzoekscultuur aan conservatoria. Dit kan leiden tot concrete onderzoekssamenwerking, maar ook tot nieuwe taakverdelingen. De kenmerkende nadruk op persoonlijke en intuïtieve benaderingen in artistieke onderzoeksprojecten mag het bewustzijn van hun potentiële complementariteit met ander onderzoek niet in de weg staan. Bovendien kan een context van complementariteit ook de nodige oriëntatie bieden voor studenten die zonder duidelijke onderzoeksambities in de master stappen.

In een onderzoeksvisie die mikt op gedeelde doelstellingen en ambities kunnen zowel praktijkgerichte, toegepaste als meer theoretische, specialistische of experimentele vormen van onderzoek een thuis vinden. Tegelijkertijd verlangt een gedeelde onderzoeksagenda om overzicht, wat ons terugbrengt naar de behoefte aan theorie in haar etymologische oorsprong: het vermogen om van een afstand te kijken en te observeren, en te speculeren over de relaties tussen verschillende actoren in de muziekpraktijk.

Naar een volwassen onderzoeksperspectief

Meer dan ooit voelen conservatoria de druk om hun rol in het muzieklandschap te herdefiniëren. Talent klaarstomen voor een krimpende markt volstaat niet langer: er groeit een behoefte om een nieuwe rol te vinden als centrum of labo voor de mogelijkheden van muziek in de samenleving. Artistiek onderzoek, in combinatie met andere vormen van onderzoek, kan hierbij een cruciale rol spelen. Een dergelijke ambitie vereist een verschuiving van de exclusieve focus op het opleiden van musici als artistieke individuen, naar de ontwikkeling van bredere perspectieven op de rol van muziek in de samenleving. Sommigen zullen tegenwerpen dat hier geen taak voor conservatoria ligt, en dat competitie en zelfregulering voldoende zijn om het muzikale veld in beweging te houden en in resonantie met bredere maatschappelijke ontwikkelingen. Toch kan niet worden ontkend dat artistiek onderzoek een reflectief element in het hoger kunstonderwijs heeft geïntroduceerd dat de potentie heeft om niet alleen voor studenten, maar ook voor instellingen werkelijk emancipatorisch te zijn. De integrerende kracht van artistiek onderzoek nodigt uit om curriculumontwikkelingen op langere termijn in de steigers te zetten en daarbij verder te kijken dan de directe dreiging van verdwijnende orkesten, het afnemende draagvlak voor kunstsubsidies, en bezuinigingen in muziekonderwijs. Een metaperspectief op onderzoek kan helpen om jonge musici te oriënteren op beter geformuleerde en toekomstgerichte rollen en functies, die hopelijk ook de diversiteit van hun persoonlijkheden, talenten en interesses kunnen weerspiegelen.

Misschien moeten we hier het woord ‘visie’ opnieuw gaan waarderen en ons terughoudender opstellen tegenover de nadruk op ‘flexibiliteit’ als belangrijkste antwoord op de onvoorspelbaarheid van het muzikale beroep. De focus op flexibiliteit lijkt immers vooral een respons op een struggle for life realiteit en de afhankelijkheid van de grillen van een krimpende muziekmarkt. Het verleggen van de focus van adaptieve naar meer proactieve, curerende en ontwerpende vaardigheden vereist een allesomvattende inspanning, waarbij zowel experiment, reflectie, theorievorming en praktijkgericht onderzoek als noodzakelijke elementen worden gewaardeerd.

In dit artikel heb ik een aantal opportuniteiten en gevaren besproken van het idee om onderzoek in te zetten als een integrerende kracht in mastercurricula. De openheid van artistiek onderzoek en het ideaal van een gepersonaliseerd onderzoekstraject bieden interessante en nog niet volledig benutte mogelijkheden om de vinger aan de pols te houden van de artistieke praktijk. Een cruciale taak is het vinden van een evenwicht tussen een studentgerichte aanpak en de verantwoordelijkheid om onderzoek te begeleiden, contextualiseren en overschouwen. Dat vraagt niet alleen om een aansporing om zorgvuldiger te luisteren naar wat er leeft in het muzikale veld, maar ook om sterkere institutionele visies en perspectieven op het muzikale beroep, die het onderzoek in nieuwe en veelbelovende richtingen kunnen sturen.

Samengevat, na de integratie van onderzoeksvaardigheden in mastercurricula is het een logische volgende ambitie om te streven naar steeds nauwere verbanden tussen praktische, theoretische en experimentele of vrije elementen in leerprogramma’s, en daarbij ook te kijken naar de rol van artistiek onderzoek in dit proces. Maar er schuilt ook een gevaar in een te enge opvatting van integratie, die de motivaties voor onderzoek drijft naar direct toepasbare uitkomsten. In een volwassen onderzoeksperspectief kunnen integrerende effecten worden verwacht op het niveau van de praktijk, maar ook op het niveau van de individuele persoonlijkheid van de musicus of de bredere artistieke gemeenschap (en daarbuiten).

Artistiek onderzoek floreert waar een wil is om te ontdekken, te begrijpen en te creëren. Studenten moeten daarom maximaal worden gestimuleerd om hun nieuwsgierigheid en interesses te volgen, ook al levert dat soms onvoorspelbare en schijnbaar nutteloze resultaten op. Maar ze kunnen ook worden uitgenodigd om deel te nemen aan gezamenlijke en vooraf uitgezette onderzoeksprojecten, wat voor velen onder hen de relevantie van het doen van onderzoek in hun mastertraject zou vergroten. Sommige onderzoeksthema’s hebben baat bij een proces dat stevig in de praktijk is verankerd. In andere gevallen is tijdelijke isolatie van de gangbare praktijk noodzakelijk om nieuwe perspectieven te creëren. De taak van het conservatorium is de student theoretische oriëntatie, methodologische begeleiding en artistieke feedback te bieden. Werken aan en investeren in de kwaliteit van een ondersteunende kennisinfrastructuur wordt cruciaal om zich van deze taken te kwijten en om als onderwijsinstelling aan relevantie te winnen in zowel het culturele als het academische veld.

+++

Paul Craenen

is lector, componist en een veelgevraagd expert op het snijvlak van artistieke praktijk, onderwijs en onderzoek. Hij promoveerde in 2011 aan de Universiteit Leiden en was van 2012 tot 2018 directeur van Musica, een Vlaamse organisatie voor kunsteducatie. In 2018 werd hij benoemd tot hoofd van het lectoraat Muziek, Onderwijs en Samenleving aan het Koninklijk Conservatorium Den Haag.

Noten

  1. Deze tekst is een herziene en uitgewerkte versie van een lezing die werd gepresenteerd op de EPARM-conferentie voor artistiek onderzoek 2019, Gheorghe Dima Academy of Music, Cluj Napoca (Roemenië) op 28-30 maart 2019. De Engelstalige versie van het artikel is online ter beschikking via http://forum-online.be/nummers/herfst-2019/artistic-research-integrative-force

  2. Crispin, Darla, et al. Polyfonia Handbook – Perspectives on 2nd Cycle Programmes in Higher Music Education. Combining a research orientation with professional relevance. Association Européenne des Conservatoires, Académies de Musique et Musikhochschulen, 2014, https://www.aec-music.eu/publications/perspectives-on-2nd-cycle-programmes-in-higher-music-education, p. 70. Geraadpleegd op 22 juli 2019, vertaling door de auteur.

  3. In de rest van deze tekst gebruik ik het begrip ‘artistiek onderzoek’ zeer algemeen om te refereren aan onderzoek dat door kunstenaars wordt uitgevoerd, in deze context meer specifiek aan conservatoria.

  4. Gespecialiseerde masteropleidingen zoals geluidskunst, sonologie of muziektheater zal ik hier niet in beschouwing nemen.

  5. Afgezien van de onderwijs- en managementfuncties zijn vaste, fulltimebanen in de muziek relatief schaars geworden. De meeste professionele musici combineren parttime en vaak kortdurende en tijdelijke banen. De aandacht voor dit fenomeen is de afgelopen tien jaar toegenomen. Zie ook: “Portfolio Careers in Music”, Majoring in Music, https://majoringinmusic.com/portfolio-careers-in-music/. Geraadpleegd op 19 juli 2019.

  6. Bisschop Boele, Evert. Polyfonia Handbook, p. 89. Geraadpleegd op 22 juli 2019.

  7. Voor een kort overzicht van termen en perspectieven en een bespreking van belichaamde kennis in artistiek onderzoek zie Borgdorff, Henk. The Conflict of the Faculties: Perspectives on Artistic Research and Academia. Leidse Universitaire Pers, 2012, pp. 47-49.

  8. “Master of Music, Performance.” HKU Hogeschool voor de Kunsten, https://www.hku.nl/Opleidingen/UtrechtsConservatorium/MasterOfMusic.htm. Geraadpleegd op 27 oktober 2019.

  9. “Master of Music.” Codarts Hogeschool voor de Kunsten, https://www.codarts.nl/master-muziek/. Geraadpleegd op 27 oktober 2019.

  10. "Master the Master.” Hogeschool Zuyd, https://www.conservatoriummaastricht.nl/jazz/master. Geraadpleegd op 27 oktober 2019, vertaling door auteur.

  11. De inbreng voor dit artikel kwam deels voort uit de jaarlijkse bijeenkomst tussen de onderzoeksafdelingen van Nederlandse en Vlaamse conservatoria, die op 29 november 2018 op het Utrechts Conservatorium werd georganiseerd door Henrice Vonck (Codarts, Rotterdam) en Falk Hübner (HKU Utrecht Conservatorium).

  12. Aan het Koninklijk Conservatorium Den Haag is de volgende onderzoeksdefinitie overeengekomen: ‘Onderzoek is een systematisch onderzoek naar één of ander aspect van het denken, de ervaring of de werkelijkheid dat leidt tot overdraagbare kennis. Het onderzoek aan het Koninklijk Conservatorium wordt gemotiveerd door de artistieke praktijk en wordt uitgevoerd door studenten en medewerkers. Het leidt tot kennis die mogelijk is ingebed in compositorisch, uitvoerend of educatief werk en die tot uitdrukking kan komen via diverse media, waaronder, maar niet beperkt tot geschreven tekst.’

  13. Opvallend verschil in het masteronderzoek aan het Koninklijk Conservatorium Den Haag is bijvoorbeeld dat bronnen in het jazzonderzoek, naast de praktijk zelf, vooral auditief van aard zijn (opnames), terwijl in de oude muziek een intieme dialoog tussen geschreven bronnen (zowel teksten als partituren en manuscripten) en de uitvoeringspraktijk gebruikelijker is. Het is aannemelijk dat het primaat van auditieve of geschreven bronnen ook leidt tot verschillende perspectieven op onderzoeksmethodologie.

  14. Het conservatorium van Rotterdam (Codarts) vormt een uitzondering met een meer gestructureerde en voorgeschreven aanpak, van het opstellen van een onderzoeksvoorstel via een serie opdrachten tot het gebruik van zogenaamde ‘interventiecycli’ tijdens het onderzoeksproces.

  15. Het idee van een overkoepelend ‘masterproject’ dat het hoofdonderwerp, onderzoek en ondernemerschap of professionele integratie omvat, wint terrein bij verschillende conservatoria. De integrerende rol van onderzoek in een dergelijk overkoepelend project verdient verder onderzoek.

  16. “Classical Music – Master.” Hanzehogeschool Prins Claus Conservatorium, https://www.hanze.nl/nld/onderwijs/kunst/prins-claus-conservatorium/opleidingen/master/classical-music. Geraadpleegd op 15 november 2019.

  17. Hoewel elk afgerond masteronderzoeksproject toegankelijk is voor studenten binnen het conservatorium, zijn alleen die onderzoeksprojecten die als zeer goed of uitstekend worden beoordeeld openbaar toegankelijk en gepubliceerd op de Research Catalogue, een online platform voor artistiek onderzoek.

  18. Kurek, Natasza. Entwine – Finding music within a poem. https://www.researchcatalogue.net/view/300915/467882, 2018. Geraadpleegd op 19 juli 2019.

  19. Marcos, Anabela. Monteverdi and the architecture of emotions. https://www.researchcatalogue.net/view/301178/464987, 2018. Geraadpleegd op 19 juli 2019.

  20. Serrano Diogo, Ines. Playing by Heart. https://www.researchcatalogue.net/view/135920/135921, 2015. Geraadpleegd op 19 juli 2019.

  21. Henk Borgdorff kwalificeert artistiek onderzoek als boundary work, te begrijpen als ‘een activiteit die wordt ondernomen in het grensgebied tussen de kunstwereld en de academische wereld’. Vanuit het perspectief van het masteronderzoek kijk ik liever voorbij de dualiteit van het artistieke en het academische en richt ik me meer op het intrinsiek transgressieve karakter van artistiek onderzoek. Zie Borgdorff, Henk. The Conflict of the Faculties: Perspectives on Artistic Research and Academia. Leiden University Press, 2012, p. 132.

  22. Wat behoort tot een kennisveld of een artistieke praktijk is niet in steen gebeiteld, en kan ook veranderen onder invloed van onderzoek. Het belang van het bestuderen van originele manuscripten of facsimile’s in de oude muziek is een goede illustratie. In navolging van de pioniers van de oude-muziekbeweging is deze benadering een tweede natuur geworden en een integraal onderdeel van het onderwijs in oude muziek.

  23. Het Koninklijk Conservatorium Den Haag introduceert vanaf het academiejaar 2019-2020 negen onderzoeksgebieden in de masteropleiding. Deze gebieden bestrijken een breed scala aan mogelijke onderzoeksthema’s, van interpretatieve tot meer technische, educatieve of interdisciplinaire onderwerpen. Studenten wordt gevraagd eerst een onderzoeksgebied te kiezen, voordat ze hun onderzoeksprojecten definiëren. Studenten komen maandelijks bijeen om de methoden en actuele thema’s te bespreken die eigen zijn aan het gekozen gebied, en om de voortgang van hun onderzoek te bespreken. Doelstelling van deze onderzoeksgebieden is om de capaciteit van het instituut om onderzoek te oriënteren en te begeleiden maximaal aan te spreken, zonder de keuzevrijheid van de studenten te beperken.