Dit artikel verscheen in FORUM+ Lente 2020

Recensie

Te veel concept voor de artistieke praktijk?

Falk Hübner
HKU Utrechts Conservatorium & ArtEZ Hogeschool voor de Kunsten Arnhem

Onderzoek in de kunsten is een groot en nog steeds groeiend veld, met diverse invullingen wat het kan zijn en hoe erover geschreven kan worden. Het door Michael Schwab uitgegeven Transpositions. Aesthetico-Epistemic Operators in Artistic Research1 situeert zich binnen het veld van artistiek onderzoek in een zeer specifieke context: een manier van onderzoek die zich vooral met concepten bezighoudt en dit als basis neemt om in tweede instantie te komen tot nieuwe vormen van onderzoek en kennis.

Schwab, Michael, red. Transpositions. Aesthetico-Epistemic Operators in Artistic Research. Leuven University Press, 2018. 337 pp.
ISBN: 9789461662538

Het kernidee van de publicatie is dat ‘transpositie’ bij sommige praktijken van artistiek onderzoek en artistieke creatie centraal staat. Van oorsprong een concept uit de muziek, beschrijft transpositie het overzetten van een melodie naar een andere toonsoort, waarbij de onderlinge relaties tussen de individuele noten blijven bestaan. In Schwabs benadering is het concept transpositie veel ruimer, en zelf naar andere contexten te transponeren. Dit gaat verder dan alleen ‘a functional identity between two things, for instance, a score and a performance or a sitter and his or her portrait’ (p. 7). De kern van Schwabs argumentatie is dat door het transponeren van een bepaald object of activiteit naar een andere context, diverse, ook minder functionele lagen van betekenis mogelijk worden, iets wat Schwab ‘a new non-representational, transpositional logic’ (p. 7) noemt.

Hoe fascinerend dit meta-praktische onderzoek ook kan zijn, het risico is dat het zich redelijk ver kan afzonderen van de daadwerkelijke artistieke praktijk. Op enkele plekken in het boek rijst bij het lezen de vraag wat de daadwerkelijke relatie met artistieke praktijken nog is. Het gaat mij dan niet zozeer om het definiëren van de artistieke praktijk of de toch al achterhaalde tegenstelling van theorie en praktijk, maar veel concreter om de lezers (mijzelf inclusief) die artistiek onderzoek begrijpen als een veld waarin de artistieke praktijk een essentiële rol speelt, zowel bij het ontwikkelen van onderzoeksvragen alsook als centraal element in de methodologie. Wat uiteindelijk tot de vraag leidt wat het beoogde lezerspubliek van deze publicatie is – voor wie is dit werk geschreven? De bundel verzamelt een grote variatie aan bijdragen die zich rizomatisch tot elkaar verhouden en alle trachten het begrip transpositie conceptueel uit te diepen of te betrekken op een casus. Binnen het bestek van deze recensie licht ik vier van de zeventien (!) bijdragen kort toe.

In “Abandoning Art in the Name of Art” denkt Esa Kirkkopelto na over hoe transpositie als een vorm van artistiek onderzoek opgevat kan worden. Hij begrijpt transformatie – of transpositie – als een beweging waarin kunstenaars hun oorspronkelijke artistieke praktijk verlaten om in een nieuw veld te werken, en verwijst naar Kaprow’s uitspraak ‘leaving art is the art’ (Kaprow geciteerd op p. 35). Wat nemen de kunstenaars mee naar hun nieuwe praktijk, wat van de oude praktijk wordt getransponeerd? Een soortgelijke, al dan niet minder radicale transpositie ziet Kirkkopelto bij kunstenaars die zich in het veld van artistiek onderzoek begeven, zich daar ook met niet-artistieke bronnen en discoursen uiteenzetten, en zo een deel van hun eerdere praktijk en status als kunstenaars verlaten; waarbij uiteindelijk artistiek onderzoek als een transpositie van artistieke praktijk kan werken en begrepen worden.

Leif Dahlberg begrijpt transpositie als een ‘artistic device’, techniek of strategie, met als voorbeeld het animatiefilm-project One Million Kingdoms (2001) van Pierre Huyghe. Verschillende vormen van transpositie spelen een rol in de film. De locatie van Jules Vernes roman Voyage au centre de la terre (1864) is het middelpunt van de aarde; deze tekst wordt naar de maan getransponeerd, de plaats waar zich het verhaal van de film afspeelt. Dahlberg ziet hierin ook een ‘transposition of genders’: de Engelse vorm van maan is vrouwelijk, ‘she’, terwijl de maan in de film een mannelijke stem heeft (een gesynthetiseerde versie van Louis Armstrongs stem). Op visueel vlak is het maanoppervlak in de film opgevat als transpositie van de ‘graphic waves’, eveneens van Louis Armstrongs gesynthetiseerde stem. Daarnaast ziet Dahlberg transpositie in de film ook in metaforische zin: ‘The volcano crater is like a lunar landscape, the descent into the underworld is like the flight to the moon.’

Ten slotte demonstreert Dahlberg ook hoe het personage in de film zélf, oorspronkelijk een manga-figuur die de filmmakers van een bedrijf gekocht hadden, een eigen transpositie lijkt door te maken, tot op het punt waar de makers de rechten van dit personage, deze persoon, aan deze digitale persoon zelf hebben overgedragen (een stap die onderdeel was van de afsluitende expositie rondom het personage) wat tevens het einde was van het project.

Annette Arlander gaat in haar hoofdstuk “Calling the Dragon, Holding Hands with Junipers” op zoek naar de betekenis van transpositie in relatie tot de ideeën van de feministische theoretica Karen Barad, en tot Arlanders eigen videoperformances met jeneverstruiken en haar eigen verwondering over het feit dat sommige van deze performances zich eerder lenen voor transpositie naar verschillende locaties dan andere. Transpositie vat Arlander hier op twee manieren op: het verplaatsen van een handeling – in het geval van haar eigen videoperformances letterlijk naar andere plekken – en de emergente verandering van het werk die door deze transpositie plaatsvindt. Voor mij als lezer was dit hoofdstuk een van de interessantste en boeiendste, omdat hier niet van buiten naar een bepaalde artistieke praktijk gekeken wordt, maar omdat de reflectie van binnenuit ontstaat, en dus vertrekt vanuit de artistieke praktijk. Arlander is al in eerdere teksten geïnspireerd door het werk van Barad, en brengt nu haar eigen en Barads positie in verband met transpositie.

Cecile Malaspina op haar beurt bekijkt transpositie vanuit een filosofisch perspectief, meer bepaald vanuit het perspectief van een aantal filosofen, onder wie Emile Brehier, Michel Foucault en Plato. Malaspina schrijft dat transpositie niet alleen voor een analoge manier van denken werkt, maar dat ook inductieve, deductieve en dialectische denkvormen op transpositie vertrouwen en bouwen. Alleen wordt transpositie vanwege haar ‘intuitive power’ (p. 226) volgens haar niet vaak als kernconcept omschreven of gebruikt. Daarbij situeert zij transpositie als een sleutelpunt in het theoretische en filosofische werk, waarbij ideeën zich door middel van transpositie materialiseren in tekst; en als een van de principes die een articulatie van de Platonische dialogen überhaupt mogelijk maken: ‘Transposition mediates between different domains of theory and praxis (…)’ (p. 229).

Deze vier voorbeelden laten zowel de inhoudelijke diversiteit zien, als ook de verscheidenheid van perspectieven die de auteurs in Transpositions innemen. Arlander neemt haar eigen praktijk mee als een essentieel onderdeel van datgene waarover zij schrijft. Dahlberg neemt het artistieke werk van iemand anders als uitgangspunt om het over transpositie te hebben. Kirkkopelto positioneert artistiek onderzoek zelf als een transpositie van het artistieke werk naar onderzoek en bijgevolg van het traditionele kunstenaarschap naar de kunstenaar-onderzoeker en reflecteert daarmee op de positie en identiteit van kunstenaar. Ondanks de verdienste van deze vier besproken bijdragen, is het bij veel hoofdstukken van het boek moeilijk te zeggen voor wie het geschreven is, en voor wie het relevant kan zijn. Bijdragen zoals die van Arlander of Kirkkopelto kunnen zeker informatief en inspirerend zijn, met name voor kunstenaars of artistieke onderzoekers die op hun eigen praktijk reflecteren. Een groot deel van de andere bijdragen lijkt slechts een zeer specifiek en theoretisch-conceptueel deel van het eigen, toch al specifieke veld van artistiek onderzoek te theoretiseren en verder te conceptualiseren. En hier zit ook de uitdaging van deze recensie: aan wie dit boek precies aan te bevelen? Het boek zelf maakt nauwelijks duidelijk wie de beoogde lezer is, en jammer genoeg lijkt ook nauwelijks iemand van de auteurs de noodzaak te zien om dit te benoemen of anderszins duidelijk te willen maken.

+++

Falk Hübner

Hogeschool voor de Kunsten Utrecht/ ArtEZ Hogeschool voor de Kunsten Arnhem
hubnerfalk@gmail.com

Noten

  1. De open access-publicatie kan hier gedownload worden.