Dit artikel verscheen in FORUM+ Herfst 2016

Recensie

Zingend door Europa

Timothy De Paepe
Museum Vleeshuis Antwerpen

Krisztina Lajosi & Andreas Stynen (reds.), Choral societies and nationalism in Europe. Brill: Leiden, 2015 (National cultivation of culture, 9). 286 pp. ISBN 978-90-04-30084-2.

Nationalisme en koormuziek: in onze hedendaagse geesten roept het al snel een beeld op van twintigste-eeuwse nationalistische bewegingen die samenzang recupereren voor strikt politieke doeleinden. De workshop Choral societies and nationalist mobilization in nineteenth-century Europe, die in 2011 plaatsvond aan het Koninklijk Conservatorium van de AP Hogeschool, toont een heel ander, veel complexer beeld door zowel te focussen op de lange negentiende eeuw (van omstreeks 1800 tot omstreeks 1914) als op bijna heel West-Europa.

De workshop had plaats op initiatief van NISE en SPIN. Het onderzoeksverband NISE (National Movements & Intermediary Structures in Europe) wordt gesteund vanuit het Archief en Documentatiecentrum voor het Vlaams Nationalisme (ADVN), en richt zich op internationaal comparatief onderzoek naar nationalisme. Ook het onderzoeksplatform SPIN (Study Platform on Interlocking Nationalisms) van de Universiteit van Amsterdam richt zich op de internationale netwerken en routes van nationalistische tendensen, heel specifiek tussen 1770 en 1914. Muziek is een onderdeel van het onderzoek van beide groepen, maar kreeg dankzij de workshop een prominente plek. De sprekers tijdens de workshop reflecteerden de brede, internationale blik en representeerden vijftien verschillende landen of regio’s met bijbehorende koortradities: van Duitsland tot de Baltische staten, van Vlaanderen en Wallonië tot Bulgarije, van Noorwegen tot Baskenland, van Wales tot Hongarije.

Het doel van de workshop was niet om vanuit de twintigste eeuw terug te kijken, maar om vanuit de periode omstreeks 1800 vooruit te blikken tot aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog. De sprekers identificeerden de laatachttiende- en vroegnegentiende-eeuwse verlichte, burgerlijke samenleving als voedingsbodem voor een ware explosie aan zangverenigingen doorheen Europa in de eerste decennia van de negentiende eeuw. In heel wat gevallen waren gezelligheid en sociabiliteit minstens even belangrijke drijfveren als de interesse voor het nationale verleden en de vraag naar nationale verbondenheid, vaak gedreven door een gedeelde taal. De Duitse Liedertafeln (de eerste werd in 1809 in Berlijn opgericht) en Franse Orphéon-verenigingen, waar burgers (bijna steeds mannen) samenkwamen om te zingen, zetten de toon. Initieel ging het vaak om mannenclubs. Op het programma van de verenigingen stonden uiteenlopende liederen en gezangen, van bewerkingen van volksmuziek tot klassieke koorwerken. Bovendien trok het fenomeen de aandacht van heel wat gerenommeerde componisten, waaronder Felix Mendelssohn.

In de negentiende eeuw rezen niet alleen koren, maar ook muziekfestivals en zangwedstrijden als paddenstoelen uit de grond. Op die festivals konden koren van uiteenlopende plekken elkaar ontmoeten. Dat is overigens meteen een belangrijke vaststelling: hoe nationalistisch het sentiment achter de koorverenigingen ook mag zijn, de hele koorbeweging was een pan-Europees fenomeen dat, misschien enigszins onverwacht, een bovennationaal gevoel kon bevorderen. Zo leidde het ook tot samenwerkingsverbanden. In België is het Vlaemsch-Duitsch Zangverbond, dat in 1846 door onder meer Prudens van Duyse en Johan Michiel Dautzenberg werd opgericht, een mooi voorbeeld. Voor een van hun optredens, in Keulen in 1846, schreef Mendelssohn een koorwerk en Hendrik Conscience hield er een toespraak. Hoewel de naam iets anders suggereert, wilde de organisatie zich als Belgisch manifesteren. Het piepjonge België zocht een culturele bondgenoot in Duitsland, tegen een dominant Frankrijk. Tijdens een van de manifestaties traden ook Waalse koren op en was koning Leopold I de eregast.

In 2015 verscheen bij Brill het negende deel in de reeks National cultivation of culture, getiteld Choral societies and nationalism in Europe. Onder de redactie van Krisztina Lajosi en Andreas Stynen zijn daarin veertien essays gebundeld die het resultaat zijn van de workshop uit 2011. Drie bijdragen van de workshop zijn niet opgenomen: over Duitsland, Wallonië en de Baltische landen. In het geval van de bijdrage over Duitsland zorgt Joep Leerssen voor een waardige vervangende tekst. Dat is ook nodig, want de Duitse koortraditie, met zijn Liedertafeln, Singakademien en Gesang-Vereine was richtingbepalend voor de koortraditie in veel andere landen. Bovendien is er in Duitsland ook al het meest historisch onderzoek verricht. De bijdrage van Jozef Vos over Nederland is nieuw en een zeer interessante toevoeging. Alle auteurs hebben geprofiteerd van de discussie en reflectie tijdens de workshop. En dat komt het boek ten goede.

Elke bijdrage bewaart een eigen karakter en focus. De meeste auteurs kiezen ervoor om casussen te behandelen en in die zin is de reikwijdte beperkt. Het boek is dus geen encyclopedisch overzicht van alle bewegingen, evoluties en koren, maar een verzameling van individuele benaderingen. Fiona M. Palmer focust op het Engelse oratoriumkoor en de Messiah-traditie, Jan Dewilde bespreekt het Vlaemsch-Duitsch Zangverbond dat amper drie jaar heeft bestaan, Carmen de las Cuevas Hevia behandelt de Orfeón Donostiarra (in een bijdrage die helaas erg beknopt is), enzovoort. Het resultaat is niettemin evenwichtig en spoort vooral aan tot verder onderzoek op Europees niveau.

Een van de opvallende vaststellingen die de lezer van het boek moet maken, is dat de opkomst van de koorvereniging Europees gebeurt tegen een achtergrond van een groeiend nationaal bewustzijn, maar dat de eigenlijke katalysatoren vaak lokaal gebonden zijn. Gareth Williams wijst er bijvoorbeeld op dat in Wales onder meer religie, bestaande lokale competities, industrialisatie en bevolkingsgroei aan de basis liggen van de koorcultuur. Het ging er, net als in Schotland (Jane Mallinson) en Noorwegen (Anne Jorunn Kydland), en in tegenstelling tot bijvoorbeeld Servië (Tatjana Markovic) of Bulgarije (Ivanka Vlaeva), niet om een politiek project. Zelfs de Messiah-uitvoeringen door amateurkoren dienden geen primair politiek doel. Ook Jozef Vos’ bijdrage heeft een nuancerend besluit: ‘[N]ational concerns played a far smaller part in the Dutch male choral movement than German historiography would have us believe [...]. It is quite possible that the [Dutch] song festivals helped to solidify the idea of a nation, but this happened more likely because they were good places to meet than because of their taste for certain songs.’

Al deze nuanceringen tonen vooral aan dat het boek een eerste, fascinerende en uitdagende stand van zaken is in wat idealiter een langer traject is, waarbij SPIN en NISE, maar bij voorkeur ook andere onderzoeksgroepen elkaar treffen.

Het boek is verzorgd en sober uitgegeven. Misschien ontbreekt een cd, want het onderzoek maakt nieuwsgierig om ook wat van al die besproken en vaak onbekende muziek te beluisteren. Het zou een leuk vervolgproject zijn om voorbeelden van deze muziek samen te brengen, of ze nu uit Baskenland, Wales of Wallonië komen.

+++

Timothy De Paepe

Museum Vleeshuis Antwerpen