Dit artikel verscheen in FORUM+ Zomer 2017

Recensie

‘Kinder, schafft Neues!’ De progressieve Wagner

Benjamin Verhoeven
Universiteit Antwerpen

Wagner, Richard. Geschriften over theater. Vertaald door Philip Westbroek, Uitgeverij IJzer, 2016. 453 pp.

Kenners zijn het erover eens: Wagner was een man van contradicties. Hij was zowel een pleitbezorger van versteend gedachtegoed uit de negentiende eeuw als een voorstander van excentrieke vernieuwing. Dat inzicht is ook niet voorbijgegaan aan Philip Westbroek die al enkele jaren primaire teksten van de grootmeester vertaalt. Dankzij Westbroeks bloemlezingen leerden we Richard Wagner elke uitgave anders kennen. Hij kwam reeds aan bod als visionair in het integraal vertaalde Opera en drama of in Het kunstwerk van de toekomst, maar ook als kunstcriticus en polemicus, als autobiograaf en leermeester, en ten slotte als musicus en componist. In het meest recente deel van deze vertalingenreeks presenteert Westbroek Richard Wagner als theatermaker en vernieuwer in theorie en praktijk.
Het is merkwaardig dat de teksten van Wagner pas in de eenentwintigste eeuw voor het eerst in het Nederlands verschijnen. Want ook voor wie niet behoort tot de ingewijden van een ‘wagnergenootschap’ wordt Richard Wagner nu een stuk inzichtelijker. Westbroek slaagt erin om de nieuwsgierigheid naar Wagners artistieke ambities aan te wakkeren. Hij maakte een selectie die een breed spectrum van het negentiende-eeuwse theaterwezen omvat: van management en schouwburgarchitectuur tot acteeropvatting. Voor een breder lezerspubliek is de diversiteit van deze thema’s een goede zet. Of je nu een voorkeur hebt voor concrete onderwerpen of voor theoretische beschouwingen, Wagners teksten bieden het allebei. Als puzzelstukjes die steeds meer in elkaar passen, geeft het boek een indruk van Wagners visie op theater. Westbroek stelt daarin hoge eisen aan zijn lezer, zoals hij in de verantwoording bij de vertaling ook erkent. Een beeld krijgen van de wereld waarover Wagner schrijft, is geen sinecure. De toegevoegde noten geven houvast, maar bevatten in hun beknoptheid wellicht te weinig context voor de leek. Desalniettemin heeft Westbroek het als vertaler zonder twijfel voor elkaar gekregen om Wagners negentiende-eeuwse Duits weer vlot leesbaar te maken.
In de inleiding expliciteert Westbroek wat de lezer van vandaag nog uitnodigt om Wagners teksten ter hand te nemen: ‘Wagners ideaal van het theater [is] eigenlijk altijd (...) blijven “toebehoren aan de toekomst”. Het theater is in feite een project dat nooit af is, dat altijd een aureool zal dragen van een wereld die nog moet komen.’ Wagners werk en nalatenschap creëren zo een open uitnodiging om zijn artistieke zoektocht verder te zetten. Dat Westbroek de actuele noodzaak daarvan niet wat meer benadrukt, is een gemiste kans. Het voorwoord van Eva-Maria Westbroek maakt Wagners erfenis niettemin tastbaar in een mooie persoonlijke getuigenis. De filosofische aard van de inleiding schrikt verder misschien wat af, maar schetst wel helder hoe Wagner in de eerste plaats vanuit zijn kunstenaarschap aan kunsttheorie doet: ‘Wagner probeert in begrippen te vatten wat hij instinctief aanvoelt en hoopt bij zijn lezers het omgekeerde te bereiken (het ontwikkelen van een gevoelsmatig begrip).’ Wagner bleef ondanks zijn pompeuze verlangens altijd met beide voeten in de praktijk staan. Dit maakt hem ook zo’n boeiende figuur, niet in het minst als theatermaker.

‘Wagners ideaal van het theater [is] eigenlijk altijd [...] blijven “toebehoren aan de toekomst”. Het theater is in feite een project dat nooit af is, dat altijd een aureool zal dragen van een wereld die nog moet komen.’

De verbazing over Wagners avant-gardistische kanten zal groot zijn voor de lezers die volhouden. Zijn verlangen naar dionysische extase, waarin hij en Nietzsche elkaar gevonden hadden, schemert bijvoorbeeld in veel teksten door. Een theatervoorstelling is in Wagners verbeelding immers een extatische totaalervaring. Sterker nog, als theaterpedagoog gaat hij zover om dionysische extase als het hoogste goed voor de acteur te omschrijven. Totale overgave aan het moment is wat Wagner verlangt. Hij beklemtoont in “Over de bestemming van de opera (1871)” hoe acteurs die kunnen inspelen op het moment zelf, het allerbelangrijkste zijn voor een bruisende toneelkunst. Volgens Wagner had ook zijn lievelingsauteur, Shakespeare, dat begrepen. Zijn stukken zijn voor Wagner ‘een gefixeerde mimische improvisatie van de allerhoogste poëtische waarde’. Ook in “Brief over het acteurswezen aan een acteur (1872)” herhaalt Wagner hoe talentvol acteerspel het gevoel moet geven naar een improvisatie te kijken. Hier spreekt Wagner, de inspirerende regisseur die volgens de legende elke repetitie iets ‘nieuws’ wilde zien en ‘Kinder, schafft Neues!’ uitriep.
Anders dan zijn despotische aard doet vermoeden, blijft Wagner ook in andere teksten over autonomie en artistieke vrijheid nadenken. Zo houdt hij in “Over acteurs en zangers (1872)” een vurig pleidooi voor ensemblespel. Hij beeldt zich in hoe goede én slechtere acteurs elkaar naar nieuwe hoogtes tillen, wat in tegenstelling stond tot de solitaire sterspelers en ‘geaffecteerde kunstmatigheid’ die hij zo vaak zag. Wagner getuigt ook van zelfrelativering wanneer hij zijn ideale toneelauteur beschrijft. Hij wil ‘de dichter’ zien uitblinken in de kunst van zelfontkenning, zodat de vrije toneelspeler het drama kan vervolmaken: ‘Zo worden beiden één. Het feit dat de dichter zichzelf in deze toneelspeler terugvindt, geeft hem de onuitsprekelijke vreugde, die hij nu in het effect van de toneelspeler op het publiek ervaart.’ Het typeert de pionier van het gesamtkunstwerk dat ook hij op zoek is naar nieuwe woorden om zijn genre-overstijgende kunst te benoemen in “Over de benaming ‘Muziekdrama’ (1872)”. Wagner behielp zich toen nog met termen als ‘zichtbaar geworden daden van de muziek’, maar zou weldra vrede nemen met ‘Bühnenfestspiele’, zoals paste bij zijn droomtheater in Bayreuth.

De stugheid die Wagner ten voeten uit kenmerkt, vinden we ook in zijn geschriften over theater terug. In “Het publiek in tijd en ruimte (1878)” bijvoorbeeld vergelijkt hij de publieksmassa – zoals alleen een romanticus dat kan – met een stroom vol monsters waar de kunstenaar tegenin moet zwemmen. Eenzelfde beklagenswaardige rol krijgt de jonge Duitse cultuur in haast elke tekst. Zij moet opboksen tegen de Franse cultuur, waar Wagner zo afgunstig tegenover staat. De grens tussen aspiratie en frustratie wordt daardoor soms heel dun. Zijn betoog in onder andere “Het Bühnefestspielhaus in Bayreuth, met een bericht over de eerstesteenlegging daarvan (1873)” grenst vaker wel dan niet aan grootheidswaan. De aanwezigheid van dit soort teksten moet evenwel verdedigd worden, juist omdat ze Wagners zwakke plekken blootleggen. Westbroek bespaart ons zodoende de meer onuitstaanbare kanten van Wagner niet. Een gegronde keuze die de bloemlezer sinds “Het Jodendom in de muziek” consequent blijft doorvoeren in deze vertalingenreeks.

Hij was iemand die met een fijnzinnig oog wist wat hij zijn publiek wilde presenteren. Een kennis die hij in de praktijk wilde omzetten als componist, toneelschrijver en regisseur.

Wagners veelzijdigheid levert dus een complex portret op. Hij was iemand die met een fijnzinnig oog wist wat hij zijn publiek wilde presenteren. Een kennis die hij in de praktijk wilde omzetten als componist, toneelschrijver en regisseur. Zijn verbeeldingskracht was daarbij zijn grootste troef. De bekrompenheid die hem als burger terecht verweten wordt, geldt niet voor Wagner als uitvoerend kunstenaar. Wagner wilde vooral met ongelimiteerde fantasie zowel componeren, schrijven, ontwerpen, organiseren als realiseren. Dergelijke ambitieuze totaalconcepten zijn de theatermakers van vandaag niet onbekend als je bijvoorbeeld denkt aan Jan Fabre, Romeo Castellucci, of de wagneriaanse proporties die de projecten van FC Bergman vaak aannemen. Wagners Geschriften over theater zijn bijgevolg niet alleen bijzondere tijdsdocumenten, de parallellen met het hedendaags (muziek)theater vertellen iets over de erfenis die Wagner ons heeft nagelaten. Dit mag ook het succes heten van Westbroeks gekozen invalshoek, die beslist nieuwe inzichten oplevert voor zowel kenners als leken uit het Nederlandse taalgebied. Uitdagend leesvoer, dat staat vast. De moeite waard om onder het motto ‘Kinder, schafft Neues!’door Wagners bril naar theater te kijken.