Dit artikel verscheen in FORUM+ Zomer 2018

Recensie

Herman Teirlinck, de man met de vele levens

Toon Brouwers
Koninklijk Conservatorium Antwerpen & Koninklijke Academie voor Schone Kunsten Antwerpen

Toen professor Willem Pée in 1954 het plan had opgevat om het verzamelde werk van zijn goede vriend Herman Teirlinck (1879-1967) uit te geven, vroeg Pée aan Teirlinck om hem een levensschets te bezorgen waarmee het eerste deel van dit Verzameld werk (negen delen, tussen 1955 en 1973 uitgegeven door Manteau) kon worden ingeleid. Teirlinck toog aan het werk, en schreef een ‘zelfportret’ in de vorm van een heuse roman, tweehonderd en negen pagina’s lang, met als titel Zelfportret of het galgemaal. Enige ironie en sarcasme was hem zeker niet vreemd.

Teirlinck droeg dit zelfportret op aan Pée (Verzameld werk 1, versie 1960) met de volgende inleidende woorden: ‘Ik weet wel dat een romancier, doordat hij in bewuste of onderbewuste gronden naar sluimerende associaties grijpt, in meerdere of mindere mate een autobiograaf is. Maar ik mag niet toegeven dat onderhavig “zelfportret” een geromanceerde autobiografie zou zijn. Men zoeke niet naar de sleutel die reële gebeurtenissen kan onthullen.’ Enkele zinnen verder luidde het: ‘Onder de willekeurig vermomde werkelijkheid zit de harde, onverbiddelijke waarheid, net voldoende gesluierd om de schaamte van de biechteling te verschalken.’

Welja: een zelfportret dus, dat geen echt portret is maar een roman, die geen echte roman is maar een soort gemaskerde biografie, die geen biografie is maar een gesluierde biecht, die geen biecht is maar een uitgebreide zelfreflectie, die geen... enzovoort. Nee, Teirlinck heeft het zijn lezers en commentatoren niet echt gemakkelijk gemaakt. In de recent verschenen biografie Ge zijt zoveel mensen geweest. Herman Teirlinck, 1879-1967 schrijft Stefan van den Bossche over hem: ‘Hij is er niet op uit zichzelf bloot te geven en zijn ware identiteit is een persoonlijke aangelegenheid. Zijn hele leven lang, zijn hele oeuvre door zal het probleem van Wahrheit en Dichtung opduiken. De schrijver doet er zelf weinig aan om die tweespalt uit te klaren.’

Nog vóór het einde van de negentiende eeuw publiceerde Teirlinck in augustus en november 1898 al een aantal sonnetten in het Vlaamse tijdschrift Van nu en straks. Dit tijdschrift wilde met een herwaardering van de emotie reageren op het wat cerebrale negentiende-eeuwse positivisme, en zich inpassen in het West-Europese ‘fin de siècle’-gevoel. Kunst en literatuur wilden de ‘Van nu en straksers’ ook niet beschouwen als een ‘allerindividueelste expressie van een allerindividueelste emotie’ (denk aan Willem Kloos en de Tachtigers) maar als een levensvorm die gestoeld was op een gemeenschap. De verbondenheid met het Vlaamse volk en de Vlaamse bewustwordings- en ontvoogdingsstrijd was voor hen erg belangrijk. Terzelfdertijd wilden ze zich losmaken uit het enge provincialisme, om met een open blik over de grenzen van die eigen gemeenschap heen te kijken. Wie de opvattingen van Teirlinck kent of leert kennen door het lezen van zijn Dramatisch Peripatetikon zal niet verwonderd zijn dat hij aan dit avant-garde tijdschrift zijn medewerking verleende.

Van Teirlincks familiaal leven was tot voor het verschijnen van deze biografie niet echt veel bekend. Dat hij tweemaal gehuwd was, vele vrienden en vriendinnen had, wisten we al. Dankzij grondig onderzoek heeft Van den Bossche ons een genuanceerder beeld gegeven van Teirlincks persoonlijkheid, die niet alleen interessante aspecten, maar ook minder fraaie trekken vertoonde. Hij had een uitgebreide vriendenkring en verkeerde zowel in diverse politieke en artistieke milieus, als aan het koninklijke hof. Hij kon zijn vrienden diensten verlenen, maar hen ook voor zijn eigen kar spannen als dat hem goed uitkwam. Hij voelde zich thuis in volkse herbergen en uitspanningen, hield van zijn dochters, maar was zeker geen modelechtgenoot. Als auteur behoorde hij wel tot de avant-garde, maar in zijn huwelijken was hij eerder een navolger van traditionele rolpatronen. Van den Bossche verbloemt of verhult in deze biografie niets, maar geeft eerlijke, objectieve en niet op sensatie beluste informatie. Familiale achtergronden en gebeurtenissen hebben immers dikwijls een belangrijke impact op de ontwikkeling en evolutie van iemands artistieke loopbaan. Tijdens zijn opzoekingswerk heeft hij onder meer zorgvuldig de correspondentie van Teirlinck uitgeplozen, die verspreid zit in diverse archieven, onder meer in het Letterenhuis Antwerpen en het Literatuurmuseum Den Haag, tot het Archief van het Koninklijk Paleis in Brussel aan toe. De schat aan informatie die hij hieruit puurde, heeft ongetwijfeld sterk bijgedragen tot het innoverende karakter van deze biografie.

Verder ging Van den Bossche zorgvuldig op zoek naar de mogelijke inspiratiebronnen van Teirlinck, zowel voor de personages en de gebeurtenissen in zijn werken, als naar de mogelijke locaties waar de verhalen zich afspelen. Hij spreekt ook vrijelijk over buitenechtelijke relaties van de auteur, wanneer deze een invloed hebben gehad op zijn creatief werk. Zo was de jonge getalenteerde en ‘ravissante’ actrice Rezy Verschueren zijn muze, met wie hij tijdens het interbellum meerdere jaren een relatie onderhield. Zij speelde hoofdrollen in zowat al zijn toneelstukken die in die tijd te Brussel in première gingen, zoals De vertraagde film (KVS 1922), Ik dien (KVS 1923), De man zonder lijf (KVS 1924), Ave (KVS 1928), De boer die sterft (Ter Kameren 1930), Elckerlyc (Kapel Oud-Brussel 1932), De ekster op de galg (KVS 1936) en Oresteia (KVS 1947). Haar alom geprezen vertolkingen droegen beslist bij tot het succes van zijn toneelstukken. Zonder haar zou de toneelloopbaan van Teirlinck ongetwijfeld anders geëvolueerd zijn, en anderzijds was zonder hem de carrière van de actrice beslist ook op een andere manier verlopen.

Voor een eerste kennismaking met het leven en het oeuvre van Teirlinck is deze lijvige biografie wellicht niet zo handig, en blijft bijvoorbeeld het boekje van Jaak Van Schoor getiteld Herman Teirlinck met circa 38 pagina’s een goede start. Voor wie zich iets meer wil verdiepen in de persoonlijkheid van Teirlinck, zijn imposante literaire en dramatische oeuvre, zijn initiatieven en realisaties, en daarbij ook iets wil vernemen over de tijd en de omstandigheden waarin hij leefde en zijn creatief werk tot stand kwam, levert deze lijvige biografie een hele serie nieuwe en verrassende inzichten op.

Van den Bossche, als literatuurhistoricus en cultuurwetenschapper verbonden aan de KU Leuven, promoveerde in 2005 tot doctor in de letteren aan de Vrije Universiteit Amsterdam met een proefschrift over de nu minder bekende Antwerpse dichter Jan Van Nijlen (1844-1965). Gebaseerd op dit proefschrift, publiceerde hij over Van Nijlen een 733 pagina’s tellende biografie met als motivering de publieke en literair-historische veronachtzaming van deze dichter. In de inleiding op zijn biografie van Herman Teirlinck constateert hij dat ook deze auteur, die vorige eeuw een van de meest heruitgegeven, vertaalde en gelauwerde Vlaamse auteurs was, tegenwoordig een beetje vergeten is, en schrijft hij: ‘Deze biografie wil vooral een daad van consacrering zijn, een akte ter herinnering aan een groot auteur, een halve eeuw na zijn dood.’

Het is een normaal verschijnsel dat ook de grootste auteurs in de periode die volgt op hun overlijden wegdeemsteren en zelfs wat in de vergetelheid geraken. Laat ons hopen dat Teirlinck onder meer dankzij deze magistrale biografie opnieuw de erkenning krijgt als behorend tot de groep (met Cyriel Buysse, Karel Van de Woestijne, Stijn Streuvels, Willem Elsschot, Paul Van Ostaijen, Felix Timmermans e.a.) van grote Vlaamse auteurs uit de eerste helft van de twintigste eeuw.

+++

Toon Brouwers

Koninklijk Conservatorium Antwerpen & Koninklijke Academie voor Schone Kunsten Antwerpen
toon.brouwers@ap.be