Dit artikel verscheen in FORUM+ Zomer 2019

Ex Libris

Decorontwerpen van May Néama

Jan Dewilde
Koninklijk Conservatorium Antwerpen

Een aanzet tot interdisciplinaire samenwerking tussen Antwerpse kunsthogescholen

May Néama, decorontwerp (1936) voor het eerste tafereel uit het tweede bedrijf van Prinses Zonneschijn van Paul Gilson (ARCH/KONINK001/KVC/A.1.2.2.7/1).

In deze tijden van informatietechnologie en massamedia denken we weleens dat begrippen als intermedialiteit, multimedialiteit en multi- of interdisciplinariteit recente vindingen zijn. De termen zijn ‘hot and trending’ en ze worden dezer dagen kwistig gebruikt in opleidingsprofielen van kunstopleidingen of in kunstenaarsbio’s. Ook dit tijdschrift, FORUM+, prijst zijn ‘interdisciplinaire profiel’. De overdosis interdisciplinariteit leidde een tijd geleden zelfs tot een geestige column van Nico Dijkshoorn in de Volkskrant, met als titel ‘Lekker interdisciplinair bezig zijn met je handjes’. De hype zou ons doen vergeten dat artistieke interdisciplinariteit al sinds mensenheugenis een feit is.

Sinds zijn ontstaan, meer dan vierhonderd jaar geleden, mag de opera gelden als de meest resolute interdisciplinaire kunstvorm. In de negentiende eeuw, met zijn verhoogde interesse voor kunsttheorieën en de evolutie van opera naar muziekdrama en gesamtkunstwerk, had dit ook gevolgen voor de muziekopleiding, en meer bepaald de zangopleiding. Het Conservatoire de Paris, lange tijd een belangrijk referentiepunt voor hogere muziekopleidingen, splitste zijn vocale afdeling op in ‘chant’ (lied, cantate, oratorium, koor) en ‘déclamation lyrique’ (opera), die dan nog eens werd onderverdeeld in ‘opéra sérieux’ (‘grand opéra’) en ‘opéra-comique’. In de ‘opéra-comique’ werd ook gesproken en diende er anders geacteerd dan in de ‘grand opéra’, en dat vergde dus een specifieke opleiding. Elk genre had trouwens zijn eigen operahuis. Tijdens de opleiding werd er veel ‘en scène’ gewerkt en ook de examens verliepen scenisch.

Dat laatste nam ook het Koninklijk Vlaams Conservatorium in Antwerpen over. Onder het directoraat van Flor Alpaerts (1933-1941) vonden de examens van de ‘klas zang’ in de concertzaal van het (oude) Conservatorium plaats, maar werden de examens van de ‘klas lyrisch dramatische kunst’ op het podium van de Koninklijke Vlaamse Opera (KVO) georganiseerd. De kandidaten zongen geen aria’s, maar traden alleen in ensemblestukken op, in kostuum, en met een rudimentair passe-partoutdecor. Op de ‘openbare wedstrijd’ die op 11 juli 1936 in de KVO werd georganiseerd, traden vier zangeressen aan: Irène Raeymaekers, Elisa Brusseleers, Joanna Lauwers en Irma Van Dyck. Alle vier waren ze een leerling van de flamboyante bariton Willem Taeymans, zelf een leerling van Henry Fontaine, een van de medestichters van de Vlaamse Opera. De kandidaten zongen – in het Nederlands! – duetten en terzetten uit De vrijschutter (Carl Maria von Weber), De Trojanen te Carthago (Hector Berlioz), Prinses Zonneschijn (Paul Gilson), De verkochte bruid (Bedřich Smetana), Samson en Dalila (Camille Saint-Saëns) en De passie (Albert Dupuis). Dat het Conservatorium de examens serieus nam, bewijst het gewicht van de jury, die werd voorgezeten door directeur Alpaerts en bestond uit zangers van formaat: de sopranen Hélène Feltesse-Ocsombre en Alice Plato, en de tenoren Laurent Swolfs en Jef Sterkens. Allen hadden hun strepen verdiend op het podium én als zangpedagoog, en bovendien leidde Sterkens sinds een jaar ook de KVO. Het examen was dan ook meteen een auditie voor het echte werk.

Enkele dagen na het operaexamen, op 15 juli 1936, werd ook het examen ‘toneelspeelkunst’ in de Antwerpse Opera georganiseerd. Onder de kandidaten waren enkele acteurs en actrices die later van zich zouden doen spreken, zoals Cara Van Wersch, Martha De Wachter en Emiel Verbeeck. En opnieuw werd een eminente jury samengesteld, met onder anderen Herman Teirlinck, actrice Magda Janssens en Jan Poot, directeur van de Koninklijke Nederlandse Schouwburg in Brussel. Op het programma van de toneelstudenten stonden Maria Stuart (Friedrich Schiller), Meisjes in uniform (Christa Winsloe), Elk wat wils (William Shakespeare), en nog drie Nederlandse stukken: Hanna (C.P. Brandt-van Doorne), Een boete (Suze la Chapelle-Roobol) en Vorstenschool (Multatuli).

May Néama, decorontwerp (1936) voor het elfde tafereel uit Meisjes in uniform van Christa Winsloe (ARCH/KONINK001/KVC/A.1.2.2.7/1).

Deze twee conservatoriumexamens, de enige die extra muros werden georganiseerd, vergden wel wat extra middelen en personeel, ook vanwege de KVO, die in een permanente staat van geldgebrek verkeerde. Dat is misschien de verklaring waarom directeur Alpaerts kort nadien een mooi aanbod tot samenwerking kreeg vanuit de Vakschool voor Kunstambachten. Deze school was in 1926 als De Vrije Academie opgericht en vond onderdak in de mythische Landschotkapel op de Falconrui in Antwerpen. De Vrije Academie bood lessen aan in toegepaste kunsten, zoals architecturale compositie, glas-in-lood, fotografie, boekbinden en bandversiering, typografie en toneeltechniek. In 1928 werd de instelling herdoopt tot Vakschool voor Kunstambachten en trok men wegens plaatsgebrek weg uit de kapel.

De stichters van de school waren onder meer de schrijver, dramaturg en tekenaar Roger Avermaete, beeldend kunstenaar Joris Minne en meubelontwerper Frans Buyle, allen leden van het progressieve en multidisciplinaire kunstencenakel Lumière. Voor Avermaete waren artistieke kruisbestuivingen vanzelfsprekend, en hij is het dan ook die Alpaerts op 4 september 1936 vanuit de Vakschool een dozijn decorontwerpen en een begeleidende brief bezorgde. Avermaete had een van zijn leerlingen de opdracht gegeven om ‘de laatste twee prijskamp-vertooningen van het Conservatorium aan te kleden met een minimum van kosten’. Die leerling was niemand minder dan de toen negentienjarige May Néama (toen nog Néhama) die later naam zou maken als illustratrice, kostuumontwerpster en opera- en balletscenograaf. Op verzoek van Avermaete tekende ze in augustus 1936 decorontwerpen voor alle opera- en toneelfragmenten die de conservatoriumstudenten enkele weken eerder als eindproef in de KVO hadden opgevoerd. Néama ging uit van het materiaal dat al in de operamagazijnen voorhanden was, wat voor Avermaete het bewijs was dat er ‘zelfs met zeer geringe middelen, toch nog iets suggestiefs te bereiken valt’. Bij de twaalf mooie miniatuurtjes (gouache op papier) voegde Néama ook een klein boekje waarin ze het basisdecor en elk apart decor beschreef, rekwisieten en belichting incluis. Later zou ze voor enkele van die werken ook daadwerkelijk de scenografie doen. Zo ontwierp ze de kostuums voor de opvoering in 1965 van Paul Gilsons opera Prinses Zonneschijn in de KVO.

Conservatoriumdirecteur Alpaerts was verguld met Avermaetes voorstel en Néama’s ontwerpen (‘zeer belangwekkend’) en beloofde dit te bespreken met zijn leraren: ‘Een samenwerking in de toekomst schijnt me best mogelijk.’ Het is (voorlopig) niet helemaal duidelijk of er nadien daadwerkelijk werd samengewerkt tussen de Vakschool voor Kunstambachten en het Koninklijk Vlaams Conservatorium. Helaas is een groot deel van het vooroorlogse archief van de Vakschool verloren gegaan toen de school bij de bevrijding in 1945 door het Engelse leger werd bezet. Gelukkig werden Néama’s charmante kleinoden in het Conservatoriumarchief bewaard als getuigen van een geslaagde aanzet tot interdisciplinaire samenwerking tussen Antwerpse kunsthogescholen.

+++

Jan Dewilde

is coördinator van het Studiecentrum voor Vlaamse Muziek en leidt de bibliotheek van het Koninklijk Conservatorium Antwerpen. Aan het Antwerps Conservatorium coördineert hij de onderzoeksgroep Labo XIX&XX. Hij is editor van de partiturenreeks The Flemish Music Collection (Musikproduktion Höfflich, München) en heeft tal van publicaties over Vlaamse muziek op zijn naam.
jan.dewilde@ap.be