Dit artikel verscheen in FORUM+ Herfst 2018

Ex Libris

Pierre Joseph Vandenbosch. Organist, klavecinist, leraar, componist en 'chef de claque'

Jan Dewilde
Koninklijk Conservatorium Antwerpen

Antwerpen klavecimbelstad, zo luidt de terechte titel van het fraaie boek dat het bevriende Antwerpse Museum Vleeshuis onlangs publiceerde. Dankzij de legendarische bouwers Ruckers-Couchet was Antwerpen in de zeventiende eeuw inderdaad de onbetwiste hoofdstad van het klavecimbel. En ook in de achttiende eeuw wist de metropool aan de Schelde die internationale reputatie hoog te houden, met dank aan bouwers als Joannes Daniel Dulcken (1706-1757). Waar klavecimbels (en aanverwante instrumenten als virginalen) worden gebouwd, wordt vanzelfsprekend ook muziek voor het instrument geschreven. Veel van die composities worden bewaard in de Antwerpse Conservatoriumbibliotheek, zowel in handschrift als in druk. Een van die uitgaven, het Troisième livre de pièces de clavecin van Josse Boutmy (1697-1779), werd in 2012 op de Vlaamse topstukkenlijst geplaatst. Als corpus illustreren deze partituren de overgang van het klavecimbel naar de pianoforte en de tafelpiano.

Pierre Joseph Vandenbosch, titelblad Quatre sonates pour le clavecin, avec un violon et basse ad libitum.
Collectie bibliotheek van het Koninklijk Conservatorium Antwerpen.

Om deze en andere klavecimbelmuziek uit de bibliotheekcollectie te kunnen spelen, kocht het Conservatorium in 1915 (!) een ‘modern’ klavecimbel van Érard aan voor de prijs van 3694,24 fr. Een dergelijke aankoop kon blijkbaar tijdens de oorlog – zelfs met directeur Emile Wambach in ballingschap. Misschien werd deze aanschaf wel ingegeven door een wedijver met het Conservatoire Royal de Bruxelles, dat al in 1891 een tweemanualig klavecimbel cadeau kreeg van Pleyel. Het is merkwaardig dat het opnieuw tijdens de oorlog was dat het Antwerps Conservatorium een nieuw klavecimbel wist te verwerven: in 1941 (!) kocht het Conservatorium een Dulcken-klavecimbel over van Jean-Auguste Stellfeld (1881-1952), een gepassioneerd muziekcollectioneur en bestuurder van het Conservatorium. Dit unieke instrument wordt sinds 1967 getoond én bespeeld in het Museum Vleeshuis. De klavierinstrumenten van het Museum Vleeshuis en de partiturencollectie van de Conservatoriumbibliotheek vormen zo een uniek geheel, zeg maar van software en hardware.

Een van de componisten die in zijn oeuvre, tussen zijn opus 1 en zijn opus 6, de overgang van het klavecimbel naar de pianoforte aankondigde, was Hobokenaar Pierre Joseph Vandenbosch (1736-1803), bij leven een gewaardeerd en gezaghebbend musicus, maar daarna in de nevelen van de tijd verdwenen. Ware het niet dat hij onderdak én herwaardering vond in de Antwerpse Conservatoriumbibliotheek.

Componist, organist, klavecinist en muziekleraar Pierre Joseph Vandenbosch volgde in 1765 priester-musicus Dieudonné Raick (1703-1764) op als organist van de Onze-Lieve-Vrouwekathedraal in Antwerpen. Dat was een belangrijk ambt en het is dan ook weinig waarschijnlijk dat dit de eerste functie was die Vandenbosch bekleedde. Maar het is niet bekend of en waar hij voordien het orgel bespeelde, evenmin als wie zijn leraren waren. Vandenbosch zou het kathedraalorgel meer dan dertig jaar bespelen, tot de sluiting van de kerken door het Franse Directoire in 1797. Volgens Edouard Grégoir etaleerde hij ‘une habilité étonnante sur la pédale’. Maar Vandenbosch beperkte zich niet tot het orgel; hij groeide uit tot een van de invloedrijkste musici in Antwerpen. Grégoir noemde hem ‘le factotum des amateurs et de l’élite de la noblesse, musicalement parlant’. Zo trad hij ook vaak op als begeleider. En volgens Grégoir was zijn invloed zo groot dat hij bepaalde of een rondtrekkend muzikant in Antwerpen mocht optreden, en manifesteerde hij zich tijdens concerten als een ‘chef de claque’ die besliste of een uitvoerder al dan niet succes mocht kennen. Als zeer gewild leraar zou hij een welgesteld leven hebben geleid, en hij eindigde als rentenier – uit een volkstelling blijkt dat hij kon beschikken over een dienstmeid. Dat verklaart misschien waarom hij de laatste twintig jaar van zijn leven niet meer gecomponeerd lijkt te hebben.

Voor de muzikale ontdekkingsreiziger Charles Burney (1726-1814) was Vandenbosch zowat het enige lichtpunt tijdens zijn bezoek aan Antwerpen in 1772. Burney schreef:

The organist at present is M. Vanden Bosch, he is a spirited and masterly player. (…) While that part of the service, which succeeded this procession, was performing, I went up into the organ-loft, and was very politely treated by the organist, M. Vanden Bosch, who is a man of considerable merit in his profession; his style of playing is modern, and he is very dexterous in the use of the pedals. This instrument of Notre Dame, contains upwards of fifty stops, and has a full compass; it has been built about a hundred and fifty years, and would be well toned, if it were in tune. After church, I went home with M. Vanden Bosch, who was so obliging as to shew me his instruments and books. Several compositions for the harpsichord of this master have been engraved at Paris; he has a very good taste, and great fire, both in writing and playing.

Naast zijn opus 5 werden inderdaad ook zijn andere werken in Parijs uitgegeven, meer bepaald door Le Menu: VI Divertissements pour le clavecin avec accompagnement des deux violons et basse ad libitum, op. 2; IV Concerts pour le clavecin et l’orgue avec accompagnement de deux violons, alto, basse, contre-basse et deux cors ad libitum, op. 3; Six suites pour le clavecin avec accompagnement de violon ad libitum, op. 4 en Trois sonates dans le gout de simphonie pour le clavecin ou le forte piano, avec accompagnement d’un violon et basse, une flute et cor, ad libitum, op. 6. Het zijn allemaal klaviersonates met obligate begeleiding ad libitum, een genre dat tijdens de tweede helft van de achttiende eeuw vooral in Parijs floreerde. Vroege voorbeelden zijn Jean-Joseph Cassanéa de Mondonvilles Pièces de clavecin en sonates avec accompagnement de violon, op. 3 (1734), Jean-Philippe Rameau’s Pièces de clavecin en concerts avec un violon ou une flute et une viole ou un 2e violon (1741) en de Pièces de clavecin en sonates avec accompagnement de violon (1745) van Louis-Gabriel Guillemain. In zijn inleiding maakt Guillemain duidelijk dat hij zich heeft laten leiden door de vigerende smaak:

Lorsque j’ai composé ces pieces en sonates, ma premiere idée avoit été de les laisser seulement pour le clavecin sans y mettre d’accompagnement, ayant remarqué souvent que le violon couvroit un peu trop, ce qui empeche que l’on ne distingue le véritable sujet; mais pour me conformer au gout d’aprésent, j’ai cru ne pouvoir me dispenser d’ajouter cette partie, qui demande une grande douceur dans l’execution, afin de laisser au clavecin seul la facilité d’etre entendu; on pourra si l’on veut executer ces sonates avec, ou sans accompagnement, elles ne perdront rien de leur chant, puisqu’il est tout entier dans la partie du clavecin, ce qui sera plus commode pour les personnes qui n’auront pas toûjours un violon prest, lorsqu’elles voudront jouer quelques unes de ces pieces.

De populariteit van de sonate met obligate begeleiding bereikte haar hoogtepunt in Parijs in de jaren 1760-1770 met de publicatie van sonates van onder anderen Schobert en Honauer. Mozarts sonates KV 6-9 zijn meer dan waarschijnlijk onder invloed van Schobert en zijn Parijse tijdgenoten ontstaan tijdens zijn ‘grand tour’ van 1763-1764. Het is in diezelfde periode dat Vandenbosch zijn sonates door Le Menu in Parijs liet publiceren. De publicatie van zijn opus 3 werd in februari 1769 aangekondigd in de Annonces musicales; zijn opus 5 werd meer dan waarschijnlijk in 1772 gepubliceerd. Het is duidelijk dat Vandenbosch zich in deze driedelige sonates aanpaste aan de Parijse smaak. Waar hij in zijn vroegste muziek smaakvolle melodieën wist te combineren met een licht contrapunt, evolueerde hij naar meer pompeuze thema’s boven repetitieve bassen en naar virtuoos passagewerk. Ook lijkt hij te zoeken naar orchestrale effecten, bijvoorbeeld door het introduceren van twee hoorns (ad libitum) in de eerste en de vierde sonate.

In dit genre is de klavierpartij op zich een autonome compositie en wordt de rol van de instrumenten ad libitum beperkt tot het doubleren van een melodielijn (vaak in tertsen of sixten), tot harmonische ‘vulling’ of tot het evoceren van orchestrale effecten (bijvoorbeeld door de hoorns). Musici werden geacht om hun partij vanuit de partituur te spelen, maar er zijn ook legio voorbeelden van uitgeschreven partijen.

De intekenlijst vooraan in de uitgave van zijn Quatre sonates, op. 5, geeft een interessante inkijk in het publiek dat Vandenbosch met zijn klavecimbelmuziek bereikte. Voor deze uitgave vond Vandenbosch 119 afnemers, van wie de bekendste wel Charles Burney is. Burney beperkte zich dus niet tot lovende woorden, hij kocht ook daadwerkelijk muziek van Vandenbosch. Onder de intekenaars zijn verder 29 collega-organisten. De bekendste onder hen is Amandus de Gruytters (1736-1805) die van 1765 tot 1791 organist was van de Sint-Joriskerk in Antwerpen en in 1771 zijn vader Joannes was opgevolgd als Antwerps stadsbeiaardier. Tussen de organisten vinden we ook twee vrouwen, met name ‘Mlle Bauwens’ en ‘Mlle Larie’, die het orgel van het Apostelinnenklooster op de Paardenmarkt in Antwerpen bespeelden. Ook enkele buitenlandse organisten tekenden op de bundel in: de Nederlanders P.J. Aertgeerts (Roosendaal), Henricus Radeker (Haarlem; vier exemplaren) en P. Versluys (Rotterdam), en de Duitser P.J. Flem (Heinsberg). Andere musici die intekenden waren J.T. Baustetter (muziekmeester van de Antwerpse kathedraal), G. Ceulemans (kerkmusicus in Lier), De Neve (stadsbeiaardier in Ath), Jan Frans Redein (eerste viool in het Antwerps kathedraalorkest) en Van Dyck (muziekmeester in Amsterdam; twee exemplaren). Andere opmerkelijke intekenaars waren twee oud-burgemeesters van Antwerpen, Jan Frans Knyff (aan wie Vandenbosch zijn opus 2 heeft opgedragen) en Petrus Franciscus Van Schorel, en daarnaast de Duitse typograaf en muziekhandelaar Johann Jakob Weitbrecht, die voor zijn boekhandel in Sint-Petersburg vier exemplaren kocht. Overige intekenaars waren welgestelde burgers die zich meestal als ‘amateur’ lieten omschrijven. Samen kochten de 119 intekenaars 129 exemplaren. Van de drukken van Vandenbosch zijn slechts weinig exemplaren overgebleven: het was gebruiksmuziek, die niet voor de eeuwigheid was bedoeld. Naast het exemplaar in de bibliotheek van het Koninklijk Conservatorium Antwerpen (KVC 54476), bewaart ook de bibliotheek van het Koninklijk Conservatorium Brussel een exemplaar (07143).

De intekenlijst wordt afgesloten door twee putti die het motto ‘Post tenebras spero lucem’ dragen (‘Na de duisternis hoop ik op licht’, Job 17:12). Vandenbosch droeg zijn bundel op aan mecenas Jean-Joseph Comte de Robiano (1733-1785), een telg van een uit Milaan afkomstige ambtsadelijke familie. Hij was de vader van de eerste Antwerpse provinciegouverneur na de Belgische onafhankelijkheid, François de Robiano (1778-1836).

Deze interessante partituur wordt in facsimile uitgegeven, in de reeks zeldzame partituren van Musikproduktion Höflich in München.

Bibliografie

Bogaert, Iréne. “Un manuscrit inconnu de P.J. Van den Bosch, organiste de la cathédrale d’Anvers.” Revue belge de Musicologie / Belgisch Tijdschrift voor Muziekwetenschap, vol. 2, nr. 3-4, pp. 146-150.

Grégoir, Édouard Georges Jacques. Galerie biographique des artistes musiciens belges du XVIIIe et du XIXe siècle. Schott frères, 1862.

Scholes, Percy Alfred. Dr. Burney’s musical tours in Europe. Vol. II An eighteenth-century musical tour in central Europe and the Netherlands. Oxford University Press, 1959.

+++

Jan Dewilde

is coördinator van het Studiecentrum voor Vlaamse Muziek en leidt de bibliotheek van het Koninklijk Conservatorium Antwerpen. Aan het Antwerps Conservatorium coördineert hij de onderzoeksgroep Labo XIX&XX. Hij is editor van de partiturenreeks The Flemish Music Collection (Musikproduktion Höflich, München) en heeft tal van publicaties over Vlaamse muziek op zijn naam.
jan.dewilde@ap.be