Dit artikel verscheen in FORUM+ Lente 2018

Dialoog

Kunst als taal

Nicolas Baeyens
Koninklijke Academie voor Schone Kunsten Antwerpen

Artistieke onderzoeksproject, vrij werk, Lucia Mrakovcic, student 2e bachelor Beeldhouwkunst, Koninklijke Academie Antwerpen, foto Nicolas Baeyens.

Dieter Lesages artikel “Tegen het supplement”, dat vorig jaar in het lentenummer van FORUM+ verscheen, is mooi en interessant. 1 Het is echter geschreven vanuit een theoretische beschouwing, en niet vanuit een artistieke praktijk. Dit perspectief geeft een eenzijdig beeld. Hij plaatst zich tegenover ‘de andere’ academici, die een schriftelijke neerslag verwachten, en verdedigt het standpunt dat de artistieke praktijk geen schriftelijke neerslag nodig heeft omdat die een taal op zich is. Als kunstenaar ga je hier opgelucht door ademhalen. Eindelijk een academicus die ziet dat kunst een taal is die niet te vatten is in zwarte tekens op een wit blad papier. Dat het een taal is die de kijker moet leren spreken, en vooral dat kunst een aparte taal is die niet te vertalen valt in tekens. Maar toch. We hebben het hier over onderzoek in de kunsten, en er moet een onderscheid gemaakt worden tussen onderzoek in de kunsten en een artistieke praktijk. Een artistiek oeuvre is altijd het resultaat van een onderzoek, maar wordt, gelukkig maar, niet altijd als dusdanig geëxpliciteerd. De vraag is ook of het nodig is dat een docent-kunstenaar doctoreert. Nu wordt er een soort erkenning en appreciatie aan gekoppeld, en dat is fundamenteel fout. Er zijn nu eenmaal kunstenaars die het schriftelijk verwerken van hun onderzoek belangrijk vinden, en er zijn kunstenaars die daar helemaal niet mee bezig zijn. Geen van beiden is per definitie een mindere kunstenaar, onderzoeker en/of lesgever. Het is een irrelevante parameter, die nu in het kunstonderwijs niettemin als belangrijk naar voren geschoven wordt en zo de hele situatie scheeftrekt.
Is het niet prachtig dat je als kunstenaar enkele jaren diepgaand onderzoek kan doen rond je eigen artistieke praktijk? Is het niet vreemd dat we daar dan hiërarchische titels aan koppelen? Een hedendaags kunstwerk kan bijna niet meer bestaan zonder een concept. Een concept is nog steeds een talige verklaring van een beeldend werk. Op een kunstacademie lopen waardevolle kunstenaars rond met een sterke artistieke praktijk die nooit zullen doctoreren omdat ze daar geen interesse en/of tijd voor hebben. Als we deze mensen achterstellen en de onderzoekers voortrekken, lopen we het risico dat ons onderwijs traag maar zeker interessante waardevolle lesgevers en kunstenaars gaat verliezen. Als we het schriftelijk deel niet verplichten, dan is dat probleem van de baan, zo lijkt Lesage te suggereren. En dat is een denkfout: het schriftelijk deel is absoluut noodzakelijk en opent de weg naar het doctoraat voor kunstenaars die het nodig achten hun artistieke praktijk ook ten volle theoretisch te ontwikkelen. Het is veel zinniger om hier een onderscheid te maken tussen kunstenaars/lesgevers die voluit voor hun artistieke praktijk gaan, en kunstenaars/lesgevers die er graag een academische toets aan toevoegen. Het kunstonderwijs heeft behoefte aan beide profielen, en beide profielen moeten als gelijkwaardig beschouwd worden.
Een kunstenaar legt met overheidsgeld een doctoraat af aan een hoger onderwijsinstituut. Het spreekt daarom voor zich dat zowel studenten en collega’s als buitenstaanders dit onderzoek te allen tijde moeten kunnen raadplegen. Het moet ook internationaal ontsloten worden voor een breed publiek. We kunnen niet verwachten dat iedereen de juiste taal spreekt die nodig is om de zuivere artistieke vorm te begrijpen. Schrift is het enige instrument dat universeel genoeg is om dit waar te maken. Een artistiek onderzoek kan alleen grensoverschrijdend ontsloten worden door middel van een neerslag. Het wordt dan een proces dat bruikbaar wordt voor verschillende kunstdisciplines (dans, theater, film, animatie…) en voor wetenschappers. In dat opzicht is een artistieke tekst onzinnig. Die draagt niets bij tot het ontsluiten en behoort tot het eigen artistieke werk. Een tekst moet het proces verduidelijken, moet inzicht geven in de kunstpraktijk, alsof de lezer mee in het hoofd van de kunstenaar zit. Een tekst is als het ware een ondersteunend skelet dat zorgt voor extra diepgang. Samen met het artistieke werk kan een tekst tot een synthese van het onderzoek leiden. Een schriftelijke neerslag kan ook een mooie symbiose vormen tussen de artistieke wereld en de academische wereld. Wel rijst de vraag of een tekst aan al de academische normen moet voldoen. De strenge regels van de bibliografische verwijzingen bijvoorbeeld. Als kunstenaar neem je informatie vaak niet letterlijk op. Er ontstaat een soort interpretatie, creativiteit die niet altijd rechtstreeks te linken is aan de inhoud van een boek (ik beperk de inspiratiebron nu even tot boeken, maar het zou evengoed kunnen gaan over theater, dans, een muziekconcert, een wandeling door een park etc.). Het gaat om een vrije associatie die niet rechtstreeks uit het gelezen werk voortkomt, maar onmogelijk tot stand had kunnen komen zonder dat werk. Een verwijzing lijkt dus wel op zijn plaats, maar het oorspronkelijke werk raadplegen zal niet altijd duidelijkheid scheppen. Het lezen is een associatieve beleving die een artistieke uitkomst genereert en inzichten geeft. Graag wil ik als kunstenaar schrijvers en filosofen kunnen opnemen in mijn bibliografie zonder van hen een juiste tekstuele neerslag of citaat te geven. Als het boek de artistieke praktijk prikkelt zonder tekstuele analyse en zonder juiste neerslag, dan heeft het boek betekenis gehad voor het onderzoek en is het de bibliografie waardig.
Is het bovendien niet zinnig om de doctoraten in de kunsten meer en meer aan recent afgestudeerde studenten toe te wijzen? Aan de jonge studenten geeft dit de kans om zich nog enkele jaren verder te ontwikkelen, en voor de hogescholen betekent dit een injectie van jong bloed. Meer volgens de systemen van de universiteiten, waar je talentvolle jonge mensen steunt. De artistieke ateliers zouden ongetwijfeld een extra stimulans krijgen.

Er zijn kunstenaars die onderzoeken door te schrijven en er zijn kunstenaars die het schrift niet gebruiken. Beide typen zijn noodzakelijk in het kunstonderwijs, en in dat licht mag op geen enkele manier een hiërarchie ontstaan.

Een academisch artistiek onderzoek moet wel degelijk ondersteund worden door een schriftelijke neerslag. Dit is noodzakelijk om het onderzoek interdisciplinair te ontsluiten.

Het academische onderzoek moet meer en meer aan jonge mensen gegund worden. Zo blijven de ateliers fris.

+++

Nicolas Baeyens

is docent en onderzoeker aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten Antwerpen (AP Hogeschool Antwerpen), opleiding Vrije Kunsten, Beeldhouwkunst. Als kunstenaar maakt hij monumentale beelden uit staal, koper en papier. Sinds 2014 begon hij zijn werk systematisch te vernietigen met een scrap-machine. In 2017 startte hij het project Crush and Generate waarin hij onderzoekt of een kunstwerk een andere betekenis krijgt na een grondige transformatie. Dit startonderzoek mondde uit in een nieuw, tweejarig onderzoek Beeldhouwkunst als een flexibele efemeriteit. www.nicolasbaeyens.com

Noten

  1. Lesage, Dieter. “Tegen het supplement. Enkele beschouwingen over artistiek onderzoek.” FORUM+ voor Onderzoek en Kunsten | for Research and Arts, vol. 24, no. 1, 2017, pp. 4-11. Of www.forum-online.be.