Dit artikel verscheen in FORUM+ vol. 22 nr. 2

Recensie

Metamorfosen van een springlevende vos

Jan Dewilde
Koninklijk Conservatorium Antwerpen, Studiecentrum voor Vlaamse Muziek

Metamorfosen van een springlevende vos

R. Van Daele (red.), Tiecelijn 27. Sint-Niklaas: vzw Reynaertgenootschap, 2014 (Jaarboek
van het Reynaertgenootschap, 7). 441 p.

Sinds enkele jaren signaleren de media gretig de terugkeer van de stadsvos. De Gazet van Antwerpen berichtte een tijd geleden zelfs over een lezer die op Antwerpen Linkeroever in de Reinaertstraat (!) woont en een vos over de Blancefloerlaan (!!) zag wandelen ... Maar de vos is terug van nooit weggeweest, dat is toch de indruk die je krijgt als je Tiecelijn 27 doorneemt. Dit zevende jaarboek van het Reynaertgenootschap serveert 441 goed gevulde pagina’s ‘over Reynaerts lange leven doorheen een geschiedenis van vele eeuwen.’ Voor wie niet goed heeft opgelet tijdens de lessen Middelnederlandse literatuur: Tiecelijn is de raaf die enkele korte, maar opgemerkte verschijningen maakt in het middeleeuwse dierenepos Van den vos Reynaerde. Zo is hij een van de vele aanklagers tijdens Reynaerts proces en speelt hij ook de rol van galgenvogel en onheilsbode. En hij leende dus zijn naam aan het tijdschrift en, sinds 2008, ook aan het jaarboek van het Reynaertgenootschap.

Volgens haar missieverklaring bestudeert, documenteert en ontsluit deze in Sint-Niklaas gevestigde vereniging ‘de “matière renardienne”, dierenverhalen van vroeger tot nu, voor jong en oud, lokaal en internationaal op zowel wetenschappelijk als vulgariserend niveau’. Het bijzondere aan dit actieve genootschap is inderdaad dat het zich richt tot zowel academici als tot ‘Reynardofielen’ die eerder in de folkloristisch- toeristische of heemkundige aspecten van de ‘Reynaertwereld’ geïnteresseerd zijn. Tiecelijn wil dat brede opzet weerspiegelen en richt zich dan ook tot een ruim en divers publiek van ‘geïnteresseerden, leraren en studenten, heemkundigen, kunstenaars, leden van de diverse Reynaertverenigingen, journalisten, literatuurliefhebbers en literairhistorici’.

Toch is dit zevende jaarboek van het Reynaert- genootschap eerder academisch van aard. Het
eerste deel van het lijvige boek publiceert immers de acta van de studiedag ‘Metamorfosen van een gemene vos: Reinaert sinds de middeleeuwen’, die op 24 april 2014 werd georganiseerd in de prachtige Nottebohmzaal van de Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience in Antwerpen. Die druk bijgewoonde studiedag, georganiseerd door collega Adelheid Ceulemans, was een gezamenlijk initiatief van het Reynaertgenootschap, het Liberaal Archief (Gent), het Instituut voor de Studie van de Letterkunde in de Nederlanden (UAntwerpen), de Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience en het Antwerps Conservatorium. Twee van onze conservatoriumstudenten verleenden hun medewerking en lieten er enkele zelden gehoorde muzikale Reynaerdiana horen.

De studiedag besteedde vooral aandacht aan zeer uiteenlopende twintigste- en eenentwintigste-eeuwse Reynaertbewerkingen, wat nog maar eens aantoont dat het verhaal van de schelmachtige vos springlevend is. Thema’s als de slechtheid en de hypocrisie van de mens, het hebzuchtig streven naar eigenbelang, de dubbelzinnige seksuele moraal of de macht en het misbruik van het woord, het blijft allemaal brandend actueel. Dat ‘den fellen metten roden baerde’ niet alleen voortdurend de grenzen van de wetten en van het fatsoen oprekt, maar ook de schone schijn doorprikt en de lezer een spiegel voorhoudt, maakt dat het dierenepos na al die eeuwen nog steeds een geschikt vehikel blijft om mens en samenleving te becommentariëren. Dat is dan ook de rode draad doorheen de bijdragen, die trouwens zo goed als allemaal van een hoog niveau zijn. Urenlang leesgenot gegarandeerd!

De eminente mediëvist Jef Janssens opent met een boeiend artikel waarin hij verschillen en gelijkenissen onderzoekt tussen Van den vos Reynaerde en Floris ende Blancefloer, en hun respectieve auteurs, Willem ‘die Madocke maecte’ en Diederic van Assenede. Maar alle andere acta van de studiedag behandelen zonder uitzondering bewerkingen uit deze en vorige eeuw. Nadat in het vorige jaarboek de opera Reinaert de Vos (1909) van August De Boeck al was belicht, gaat Adelheid Ceulemans in haar bijdrage dieper in op het libretto van Raphaël Verhulst en de eigentijdse en hedendaagse receptie daarvan. Ze wijst op de ontegensprekelijke kwaliteiten van Verhulsts tekst die ook geïnterpreteerd moet worden binnen zijn literair- en muziekhistorische context. Ceulemans wijst onder meer op de sociale en de Vlaams-nationalistische dimensie van het libretto. Dat ook in de twintigste eeuw nog vele Vlaamse auteurs zich, in verschillende gradaties, door de rossige schavuit lieten inspireren, is een open deur intrappen. Yves T’Sjoen en Els Van Damme hebben het in hun artikel over Richard Minnes ondergewaardeerde roman Heineke Vos en zijn biograaf (1933), waarbij niet alleen de titel op Van den vos Reynaerde alludeert, maar ook het picareske karakter en de allegorische aard van de tekst schatplichtig zijn aan het Reynaertverhaal. Boonbiograaf Kris Humbeeck behandelt in zijn abundante artikel uitvoerig Louis Paul Boons Wapenbroeders (1955). Binnen zijn enorme productie wees Boon vaak dit satirische boek als zijn favoriet aan en daarom betreurde hij des te meer de gebrekkige publieke belangstelling voor deze ‘getrouwe bewerking der aloude boeken over Reinaert en Isengrimus’, zoals de ondertitel luidt. Aan de hand van het Reynaertverhaal ontwikkelt Wapenbroeders zich tot een bijtende satire op de politiek van het naoorlogse ‘Nobelgië’, en dit gelardeerd met autobiografische elementen. De jonge doctoranda Lisanne Vroomen die onderzoek doet naar Reynaertbewerkingen sinds 1900, boog zich over de verstripte bewerking uit 2010 van René Broens en Marc Legendre. In haar rijkelijk geïllustreerde bijdrage toont ze aan hoe deze auteurs Reynaert in hun beeldroman in woord en beeld als een antichrist neerzetten en hoe de grafiek bijdraagt tot een beter begrip van zowel hun eigentijdse visie op de vos, als van het aloude Reynaertverhaal. De laatste bijdrage van de studiedag aan het jaarboek is van de hand van hoofd- en eindredacteur Rik Van Daele. Hij bespreekt een van de recentste Reynaertbewerkingen, met name Van den vos van FC Bergman, met voorsprong de meest spraakmakende theaterproductie van 2013. In zijn bij momenten impressionistische en caleidoscopische bijdrage draagt Van Daele zijn steentje aan de jubelende recensies bij: ‘Nooit was een theatertekst of -voorstelling zo gelijk aan het middeleeuwse genie van Willem. Nooit vond Willem zo sterk zijn eigen gelijke.’

Het tweede deel van het jaarboek bundelt even diverse als substantiële artikels. Zo gaat Jan De Putter (wiens bio achteraan bij de auteurs ontbreekt) uitvoerig in op de functie en betekenis van het woord ‘vijte’ in de proloog van Van den vos Reynaerde. Een ‘vite’ kan een heiligenleven betekenen, maar ook eenvoudigweg een levensbeschrijving. Het woord wijst op een betrouwbare en gezaghebbende geschreven tekst. Hans Rijns, die aan de Universiteit Utrecht afstudeerde op het onderwerp Obscene en scabreuze dubbelzinnigheden in Van den vos Reynaerde, gaat op zoek naar verschillen en gelijkenissen tussen de karakters van de vos en de wolf in het Reynaertverhaal en in het in 1481 gedrukte Dialogus Creaturarum, dat is Twispraec der creaturen. Voer voor wie stevig in de materie is ingevoerd. Paul Wackers, hoogleraar Historische Nederlandse Letterkunde aan de Universiteit Utrecht, kapittelt drie auteurs van Reynaertbewerkingen voor de jeugd, met name wijlen Henri Van Daele, Hans Petermeijer en Lida Dijkstra. Hun hervertellingen voor jonge lezertjes mogen dan wel aanwinsten voor de jeugdliteratuur zijn, maar dat ze in de toelichtingen bij hun verhaal de waarheid geweld aandoen, kan voor de auteur niet door de beugel: ook jonge lezers hebben recht op correcte literair-historische informatie. Het artikel Muzikale Reynaertbewerkingen van 1900 tot nu is een bewerking van de bachelorscriptie die Bjorn Schrijen schreef aan de Radboud Universiteit Nijmegen, maar schiet binnen deze bundel inhoudelijk tekort. De jonge auteur verliest zich in een ondoelmatige omschrijving van verschillende muziektheatergenres en zijn zoektocht naar het waarom van de vele muzikale Reynaertbewerkingen blijft wel zeer aan de oppervlakte. Overigens zijn er beduidend meer bewerkingen ‘binnen allerlei genres’ dan de ‘minstens 39’ die Schrijen oplijst. Toegegeven, ze zijn niet altijd gemakkelijk te vinden. Schrijver en performer Michaël Brijs houdt een stevig onderbouwd en gloedvol pleidooi voor Malpertuis, Jean Rays ‘occulte Reynaert’. Wie het boek nog niet gelezen heeft, holt na Brijs’ conclusie meteen naar de boekwinkel: ‘En wat is Malpertuis anders dan een hybride roman, waarin de klassieke filologie, de gothic novel, het burgerlijk realisme, het fin-de-siècle-occultisme en de Vlaamse folklore elkaar op een onwaarschijnlijke manier ontmoeten, een virtuoos geweven tapijt van thema’s en motieven, een labyrintisch spookhuis van een boek dat bij elke herlezing nieuwe onbekende kamers prijsgeeft?’ (Ik heb het even voor u opgezocht via www.bibliotheek. be: het boek is (voorlopig?) nog in vijf Vlaamse openbare bibliotheken te ontlenen). Interessant aan het tweede deel van het jaarboek is dat de bijdragen van Wackers, Brijs en Schrijen het thema metamorfosen uit het eerste deel verder aanvullen.

Zoals gezegd beperkt het Reynaertgenootschap zich niet tot de ‘matière renardienne’, maar vallen ook dierenverhalen in het algemeen binnen de belangstellingssfeer. Die brede interesse weerspiegelt zich onder meer in de bijdrage van publicist Yvan De Maesschalck over Haas (1975) van de Finse romancier Arto Paasilinna (1942). Haas is Paasilinna’s populairste boek en dat vertaalde zich ook in twee verfilmingen (Jäniksen vuosi door Risto Jarva in 1977 en Le lièvre de Vatanen, een Frans-Belgisch-Bulgaarse productie van Marc Rivière uit 2006). De Maesschalck gaat in de roman op zoek naar ‘de picareske strapatsen van Vatanen’ en sluit daarmee naadloos aan bij T’Sjoens en Van Dammes bijdrage over het ‘picareske’ in Minnes Heineke Vos-roman. Mark Nieuwenhuis borduurt verder op een eerder artikel in Tiecelijn over epitafen en lamento’s van en voor dieren. Binnen dit merkwaardige genre serveert Nieuwenhuis vertalingen van het Testamentum porcelli (Het testament van het varkentje), een prozatekst uit de vierde eeuw, en van eveneens in het Latijn geschreven testamenten van ezels en hazen uit de twaalfde of dertiende eeuw. Sommige van die teksten hebben een hoog ecologisch gehalte, getuige Het testament van de haas:

Een klein haasje huilde
En schreeuwde luidkeels:
“Wat heb ik de mensen aangedaan
Dat zij mij met hun honden achternagaan?”

Bob De Nijs, een specialist in Catalaanse literatuur en ook gekend als librettist voor componist Willem Kersters, publiceert hier zijn vertaling van het dierenepos Llibre de les bèsties van de dertiende- eeuwse auteur Ramon Llull, die zowel in het Latijn, het Arabisch als het Catalaans schreef. Dit fascinerende Dierenepos moet geschreven zijn vóór 1286 en vertelt, in proza, het verhaal van een vrouwelijke Reynaertfiguur (‘Na Renard’); ‘een intrigante van jewelste, die tenslotte haar manipulaties met de dood moet bekopen.’ Na de beeldroman van Broens en Legendre uit het eerste deel wordt ook in het tweede deel nog aandacht besteed aan de vos in de beeldende kunst. Christl Van den Broucke merkt op dat kunstenares Caroline Coolen niet alleen door de vos gefascineerd is, maar via haar beelden het beest van zijn negatieve kenmerken (doortrapt, sluw) wil ontdoen en die wil omzetten in positieve karaktertrekken, zoals alertheid en intelligentie. Minder urgent voor het jaarboek is de eerder anekdotische bijdrage over de Tsjechische graficus Oldrich Jelen door Jack Van Peer, een ingekorte versie van een artikel dat eerder in Boekmerk verscheen. Jelen maakte op vraag van het Reynaertgenootschap een ex libris dat een pelgrimerende Reinaert laat zien.

Het jaarboek heeft verder een onmiskenbare meerwaarde als naslagwerk, door het opnemen van
een jaarlijkse Reynaertkroniek met bibliografieën en verslagen, die dienen als nuttige hulpmiddelen voor verder Reynaertonderzoek. Zo bericht Steven Van Impe over de overname door de Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience van de befaamde Reynaertcollectie van Wim Gielen, waardoor die bibliotheek helemaal incontournable is geworden voor Reynaertonderzoekers.

Tenslotte bevat dit weelderige jaarboek ook nog recensies, onder andere van Reinardus. Yearbook of
the International Reynard Society
(2012) en van Het boek Hauser van Annemarie Estor en Lies Van Gasse. De veelzijdige Van Gasse tekent trouwens voor de lay- out en de coverillustraties van alle jaarboeken van het genootschap. En dat doet ze goed! Het boek is fraai vormgegeven, rijkelijk geïllustreerd en laat zich door een mooie, maar dienstbare lay-out aangenaam lezen.

Het moet gezegd: hoofdredacteur Van Daele, ‘die vele bouke maecte’, verdient alle lof. Dat de handelingen van een studiedag die op 24 april 2014 plaatsvond al op 4 december in boekvorm werden gepresenteerd, en dat aangevuld met tal van lezenswaardige stukken die het brede Reynaertonderzoek in Vlaanderen en Nederland weerspiegelen, het is een huzarenstukje waar vele van onze eerbiedwaardige wetenschappelijke instellingen hun tanden zouden op stukbijten. Bovendien staat Tiecelijn 27 reeds vanaf de dag van de boekvoorstelling integraal op www.reynaertgenootschap.be, samen met de vorige jaarboeken. Exemplarisch!