Dit artikel verscheen in FORUM+ vol. 28 nr. 2, pp. 74-75

Recensie

Tussen papier en podium

Kristof Van Baarle

In reprise: Tweeëntwintig Nederlandse en Vlaamse toneelstukken om opnieuw te bekijken

In reprise is een bundel met 22 pleidooien van theaterwetenschappers, dramaturgen en neerlandici voor het opnieuw opvoeren van in het Nederlands geschreven theaterteksten. Het boek is deel van een groter, gelijknamig project, dat zich bekommert om het aandeel Nederlandstalige teksten dat tot het repertoire behoort. Van de toneelteksten die in België en Nederland regelmatig opgevoerd worden, zo gaat de redenering, moet er toch een aanzienlijk aantal van eigen bodem zijn. Boek en project sluiten zo aan bij twee tendensen in het theaterlandschap: een beweging om de toneeltekst weer los te weken van de voorstelling en als autonoom kunstwerk te behandelen en te stimuleren enerzijds, en anderzijds de (opnieuw) hernieuwde aandacht voor repertoire en canon. Van die eerste trend getuigen bijvoorbeeld de uitgeverij Nieuwe Toneelbibliotheek en de oprichting van DeClaus, een platform van de Theaterkrant voor theatertekstkritiek.

De tweede trend zien we in debatten rond ‘Nederlandse’ en ‘Vlaamse’ identiteit, veelal geclaimd door rechts-nationalistische partijen en groeperingen. Als Belg beschouw ik ‘Vlaams’ daarom niet als een onschuldig en al zeker geen eenduidig begrip. Immers, het culturele veld wordt steeds actiever bespeeld en ingezet om ex-negativo definities van Vlaams en Vlaanderen (niet-Belgisch, niet-Waals, niet-Franstalig et cetera) positief in te vullen. Er zijn ook bewegingen vanuit andere ideologische en artistieke hoeken om de canon te ‘reclaimen’, al was het maar om een essentialistische visie op identiteit onklaar te maken of om uiteindelijk elk concept van canonisering te verwerpen. Het is hier niet de plek om deze discussie actief verder te voeren, maar In reprise begeeft zich wel tussen deze spanningen.

Het is evenwel jammer dat de inleiding van het boek, die de selectie zou moeten omkaderen, zich ook niet aan deze debatten waagt. Dat valt te verdedigen wanneer je poogt vanuit intrinsiek artistieke waarde te denken, of selecteert op basis van wat de ‘lievelingsstukken’ van de auteurs zijn. Maar omdat de auteurs van de bijdragen wel de relevantie van het merendeel van de teksten koppelen aan huidige hete hangijzers, steekt de inleiding daar nogal bleek tegen af. De hoofdstukken van bijvoorbeeld Erwin Jans en Sruti Bala, die wel dieper ingaan op complexe kwesties als de Vlaamse en koloniale geschiedenis, compenseren dit.

Niettegenstaande het wankele kader is het de verdienste van deze bundel om daadwerkelijk een aantal minder bekende auteurs en teksten aan te reiken, niet in het minst omdat er ook tussen België en Nederland een culturele grens loopt, waardoor we elkaars artistieke geschiedenis slechts gebrekkig kennen. H.J. Schimmel of Maria Goos kende ik bijvoorbeeld niet. Maar ook van de grote namen, zoals Vondel, Bredero, Multatuli, Lanoye en Herzberg, of van auteurs die internationaal meer gespeeld worden dan in het Nederlandstalig gebied, zoals Lot Vekemans, worden minder bekende teksten voor het voetlicht gebracht. Terecht ontbreken ook Elckerlijc en Mariken van Nieumeghen niet, en ook is er plek voor een tekst voor kinderen – een genre dat al te vaak stiefmoederlijk behandeld wordt, hoewel recente toneelschrijfprijzen (zoals voor Freek Vielen en Freek Mariën) dat lijken te corrigeren.

In die zin voldoet de bundel zo aan een van de doelstellingen die hij zelf vooropstelt: een vlotte ingang bieden in wat er zoal bestaat aan Nederlandstalig repertoire voor de geïnteresseerde lezer, maker, leerkracht of dramaturg. Muggenziften over wie hier al dan niet in staat, lijkt me dan ook niet erg zinvol, want het is juist de bedoeling om de lezer op weg te helpen, die vervolgens zelf verder op zoek kan gaan. En toch is het jammer dat figuren als Jan Decorte en Pieter De Buysser ontbreken. Temeer omdat ze in tekst en taal aan vormvernieuwing deden en doen, een element dat in deze bundel schromelijk over het hoofd gezien wordt.

De meeste bijdragen volgen inderdaad een nogal conventioneel stramien. De tekst wordt geïntroduceerd, de plot bondig verteld met enkele fragmenten ter illustratie, gevolgd door een kort overzicht van de opvoeringsgeschiedenis en de reacties op het stuk, om vervolgens naar een aantal suggesties voor een hedendaagse opvoering over te gaan. Naast de verhalen over macht en uitbuiting, zijn de stukken in deze collectie vaak humanistische bespiegelingen over vriendschap, liefde en leed. Nogal snel worden deze thema’s als universeel beschouwd. Het besluit is steevast dat de besproken toneeltekst nog niets aan relevantie heeft ingeboet – een formulering die ik herken uit subsidiedossiers en overgemarketeerde programmablaadjes. De bijwijlen krampachtige drang om de actualiteitswaarde van een tekst aan te tonen, doet toch de wenkbrauwen fronsen. Temeer omdat ‘actualiteit’ nogal eng wordt benaderd als ‘een onderwerp waarover vandaag ook gedebatteerd wordt’. Het lijkt wel alsof een theatertekst enkel inhoudelijk, en niet vormelijk bij de tijd kan zijn.

Deze focus op de inhoud van een tekst, en een erg zuinige aandacht voor de vorm waarin deze inhoud door de auteurs gegoten wordt, duidt op het grootste probleem in deze bundel: de visie op de plek van tekst in het theater en het lezen van de tekst vanuit de huidige artistieke praktijk tout court. Het is immers juist de verdienste van zowel het ontwikkelen van de theaterwetenschap als van de artistieke verschuiving naar een postdramatische benadering van de theaterpraktijk, dat de tekst en dan vooral de plot en logocentrische wereld- en kunstvisie hun dominante positie verliezen, waardoor de tekst een van de elementen wordt van de opvoering. Dat noopt ons ertoe tekst anders te gaan lezen. Wat zou postdramatisch lezen eigenlijk kunnen betekenen? Sommigen zouden er een paradox in zien, want betekende postdrama nu juist niet het einde van de tekst? Het is tegen deze misvatting in, dat Kurt Vanhoutte en Claire Swyzen in 2011 hun bundel Het statuut van de tekst in het postdramatische theater samenstelden, op zoek naar hoe ‘teksttheater en tekst in het theater eruit [zien] wanneer de tekst niet gevormd wordt door een dramatische dramaturgie[.] Als tekst niet per definitie samenvalt met het drama en zijn attributen’ (2011, p. 15). Zij bouwen verder op de inzichten van Hans-Thies Lehmann (1997), die aangeeft dat een postdramatische tekstbehandeling de plot eerder links laat liggen op zoek naar ritme, muzikaliteit, fysicaliteit en ruimtelijkheid (alle besloten in de tekst!). In In reprise is niet enkel de postdramatische tekstpraktijk (zoals die van Decorte of De Buysser) ondervertegenwoordigd, ook een meer postdramatische lezing, die tekst in spanning met de mogelijke opvoering leest in een metareflectieve houding op de tekst, vind je slechts in enkele bijdragen terug.

Welk spelpotentieel ligt in deze theaterteksten besloten? Welke vormen, theatrale dynamieken maken eventueel dat deze teksten het traditionele praatstuk overstijgen? Zeker de stukken die vormelijke elementen meedragen uit de middeleeuwen – zoals sinnekens, personificaties van waarden en emoties (bijvoorbeeld in Elckerlijc, besproken door Bart Ramakers, of in Mariken van Nieumeghen, geanalyseerd door Femke Kramer), allegorieën en tableaus – lenen zich tot een postdramatische verwerking van de scène. Die andere manier van lezen en kijken naar theater wordt wel aangehaald in Erwin Jans’ bijdrage over Herman Teirlincks Vertraagde film uit 1922, waarin hij beschrijft hoe Teirlinck beïnvloed werd door Gordon Craigs opvatting dat ‘theater niet langer de dienstknecht van de literatuur of de werkelijkheid is, maar een eigen artistieke autonomie heeft’ (p. 288). Ook de deconstructie van de tekst in Esther Gerritsens Gras toont aan dat de auteurs van deze bundel wel op de hoogte zijn van wat er artistiek speelt op onze Europese podia, maar toch lijkt dat de algemene tekstopvatting in het boek niet te voeden en blijft de tekst op gespannen voet met de voorstelling staan.

Karel Van Haesebrouck maakt op zijn beurt mooi gebruik van die spanning door een belangrijke lans te breken voor het loskoppelen van de toneeltekst van de oeropvoering ervan, hetgeen in een postdramatische theaterpraktijk bemoeilijkt wordt door de verstrengeling van tekst en opvoering, auteur en regisseur (de case Ten Oorlog door Tom Lanoye én Luc Perceval is daar inderdaad een goed voorbeeld van).

Dit alles wil evenwel niet zeggen dat inhoud geen geldig criterium zou zijn om bepaalde stukken onder het stof vandaan te halen. Sommige teksten brengen een minder bekende geschiedenis aan het licht, zoals Kraspoekol, of de slaaverny (1800) van Dirk van Hogedorp. Zoals Sarah J. Adams en Kornee van der Haven aangeven, biedt Van Hogedorps stuk een relevante aanvulling op de visie op de geschiedenis van de Nederlandse slavernij, door niet zozeer op de Atlantische gebieden maar op Zuidoost-Azië te focussen (p. 193). Ook Sruti Bala’s uitstekende analyse van Jan Pietersz. Coen (1931, J. Slauerhoff) rijkt op heldere wijze zowel een positie van kunst in de samenleving aan (als element van Benedict Andersons imagined communities) als een aantal vormelijke methoden (zelfreflectie, een meta-perspectief op de in de voorstelling verwerkte tekst) om met een heikel thema als het koloniale verleden om te gaan. De bijdragen over stukken over de koloniale geschiedenis zetten in op het historisch verschil én continuïteit tussen de tijd waarin het stuk speelt, de tijd waarin het stuk geschreven werd en de tijd van de opvoering. Het zelfbewuste anachronisme doet denken aan hoe Johan Thielemans in een artikel in Etcetera de visie op het repertoire van Bertolt Brecht omschreef:

Als Brecht zich over repertoire boog, wilde hij laten zien dat wie op de bühne stond niet ‘onze tijdgenoot’ was. De toeschouwer moest afwegen hoe ver de man of de vrouw uit het verleden van hem afstond. Dat leidde – hopelijk – tot het inzicht dat de mens verandert en, veel sterker nog, dat de mens maakbaar was (2018, p. 52-53).

De andere bijdragen over teksten van bijna vierhonderd jaar oud zouden ook gebaat zijn bij een reflectie op wat het betekent om dit materiaal opnieuw op het toneel te brengen.

Enerzijds kan je In reprise als project bekijken als een oprechte poging om Nederlandstalige teksten in kaart te brengen en aan te reiken. Handig voor de docent of de theatermaker die zich erin wil verdiepen en een wegwijzer zoekt. Anderzijds kan je het boek moeilijk los van de huidige politieke en vooral artistieke ontwikkelingen bekijken, en dan gaat het zowel te weinig (conceptueel) om met de strijd om identiteit in het canon-debat, als te zeer voorbij aan de postdramatische wende die zich ook in Nederland en België sinds de late jaren zeventig heeft voorgedaan.

Tot slot vraag ik me af of het nog strookt met de geleefde realiteit van vele makers en toeschouwers om teksten zo te isoleren volgens een taalgroep. In onze hypergeglobaliseerde cultuur kunnen we een tekst niet langer los zien van wat vaak gefragmenteerde en chaotische historische, geografische en artistieke verbindingen lijken. Cultuur is haast vanzelf importcultuur, om het in de inleiding aangehaalde begrip van Geert Opsomer ook hier te vermelden. In tijden van sluitende grenzen, exits en nationalistisch populisme moeten we vooral durven om oude en nieuwe verhalen in open uitdagende vormen te blijven brengen.

+++

Kristof van Baarle

Universiteit Antwerpen

kristof.vanbaarle@uantwerpen.be

Bronnen

Lehmann, Hans-Thies. “From Logos to Landscape: Text in Contemporary Dramaturgy.” Performance Research, vol. 2, no. 1, 1997, pp. 55-60.

Swyzen, Claire & Vanhoutte, Kurt, “Inleiding.” Het Statuut van de tekst in het postdramatische theater, red. Claire Swyzen & Kurt Vanhoutte, University Press Antwerp, 2011, pp. 5-25.

Thielemans, Johan. “Jagen op een straf verhaal.” Etcetera, nr. 152, 2018, pp. 50-56.