Dit artikel verscheen in FORUM+ vol. 28 nr. 2, pp. 68-71

Dialoog

Woorden, uitgesproken bij het doctoraat van Lucas Vandervost

Rebekka De Wit

Op 8 december 2019 verdedigde Lucas Vandervost, acteur, regisseur, docent en medeoprichter van theatergezelschap De Tijd, zijn doctoraat in de kunsten. (De dag klonk overigens niet als een verdediging. Er waren heel veel mensen, veel muziek en veel lasagne. De dag klonk eerder als een bruiloft, maar dat zal vooral voor het publiek zo zijn geweest). Freek Vielen en ikzelf mochten het eerste exemplaar van zijn doctoraat met de titel De hiel van Kuifje in ontvangst nemen.

In wat volgt zult u de woorden lezen die ik uitsprak bij die gelegenheid. De bladspiegel en het gebrek aan interpunctie lijken te suggereren dat het een gedicht is, maar het is opgeschreven om te kunnen voorlezen. Er zijn dingen die aan u voorbij zullen gaan als u er niet bij was en als u Lucas niet kent. Het is de hoop dat mijn achting voor Lucas en mijn achting voor zijn taal – die mij hielp om te gaan met vrijwel alles – enigszins spreekt uit deze speech.

Lucas Vandervost, actor, director, teacher and co-founder of theatre company De Tijd, defended his doctorate in the arts on 8 December 2019. (The day, by the way, did not sound like a defence. There were lots of people, lots of music and lots of lasagne. The day sounded more like a wedding, but that must have been especially true for the audience). Freek Vielen and I received the first copy of his doctorate, entitled De hiel van Kuifje (Tintin's heel).

In what follows, you will read the words I uttered on that occasion. The size of the page and the lack of punctuation seem to suggest that it is a poem, but it has been written down to read aloud. There are things that will pass you by if you were not there and if you do not know Lucas. It is my hope that my regard for Lucas and my esteem for his language - which helped me cope with almost everything - becomes somewhat apparent in this speech.

© Anke Van Meer

vorige week stuurde ik Lucas een sms’je
met de vraag of hij mij de tekst kon doorsturen van de voorstelling

de ondergang van de Titanic heeft nooit plaatsgevonden

een voorstelling die vijf jaar geleden
eenmalig in de Grote Post stond
tijdens Theater aan Zee

ik vroeg het
omdat ik me iets meende te herinneren uit die voorstelling waarvan ik dacht dat het mooi zou zijn om vandaag te citeren

ik kreeg een sms’je terug waarin hij schreef
dat ik het misschien heel vreemd zou vinden
maar dat hij de tekst niet meer heeft
(of beter gezegd schreef hij
ik vind hem niet meer

waaruit ik opmaakte dat hij vermoedde dat de tekst nog wel ergens was
in zijn herinnering bijvoorbeeld
maar hem gewoon niet meer kon vinden)

ik schreef terug dat het me helemaal niet verbaasde dat hij de tekst
niet meer kon vinden
sterker nog, schreef ik: ik was er eigenlijk van uitgegaan dat je de tekst niet meer had
zoals het me ook absoluut niet verbaasde dat deze dag
met een concert
en een voorstelling
een presentatie
een doctoraatsverdediging
een doctoraat en een diner
de kunst van het verdwijnen heet

ik weet niet precies waarom dit me allemaal niet verbaast
het zal op een of andere manier verbonden zijn met het feit dat
toen ik hier als student kwam
ik op dag twee
de opdracht kreeg om op een lege vloer te staan
met een liefdessonnet
en om vervolgens met dat sonnet
alles te zeggen
en niks te verraden

nadat ik dat had geprobeerd
middels de zin
ik zal in de schoot van de aarde
smaragden opzij schuiven om jou te kunnen ontwaren
zocht ik de blik van de docent
(Lucas)
om te horen of het gelukt was
om alles te zeggen
en niks te verraden

maar hij stond uit het raam te kijken
met zijn handen in zijn zakken
zonder opschrijfboekje
wat ik toen uiterst vreemd vond
ik denk dat ik de aanwezigheid van een opschrijfboekje
associeerde met betrokkenheid
en de afwezigheid daarvan
met het tegendeel

ook jaren later
na mijn afstuderen
las ik vier uur lang iets aan hem voor
een braakliggend terrein van tekst
waar ergens – zo dacht ik – een voorstelling in besloten lag
ook toen had hij geen opschrijfboekje
en wel een repliek
van een of twee zinnen

ik begreep niet hoe dat kon
twee zinnen zeggen
en toch niet met een kluitje in het riet gestuurd zijn

ik begreep niet hoe dat kon
en was daar jaloers op
op dat gebrek aan een opschrijfboekje
ik ben dat nog steeds

volgens mij zijn we hier niet samen voor de presentatie van een opschrijfboekje
dit (verwijst naar docoraat) is geen opschrijfboekje
het is zelfs geen boekje
het is niet gebonden

wat tot gevolg heeft dat wanneer je dit leest
in een café
naast de deur bijvoorbeeld
er bladzijdes wegwaaien als de deur opengaat

typisch
dacht ik
Lucas schrijft een doctoraat
dat kan wegwaaien als er even een deur opengaat
dat wellicht zelfs weg mag waaien
als er ergens een deur opengaat

het is verbonden
maar niet gebonden
een beetje zoals wij hier nu
in deze doos zitten
en een constellatie vormen

dat dit nu niet gebonden is
dat Lucas nooit aantekeningen maakt
las ik
en lees ik nog steeds
als een daad van vertrouwen
een vertrouwen in het moment
een groot vertrouwen in het idee
dat het wel met ons zal meekomen
als het belangrijk is
en als dat niet gebeurt
dat dat dus niet erg is

in hoofdstuk 42
ik weet niet of hoofdstuk het goede woord is eigenlijk
in deeltje 42
elementair deeltje 42
staat de vraag
‘komt “het vanzelf”
vanzelf?’

terwijl ik nadenk over die vraag
gaat er een deur open
in het café waar ik zit
en raak ik hoofdstuk 42 heel even kwijt
en vind het terug
onder de voeten van een meisje met een skipak aan
dat net met haar vader was binnen gestapt

ik kijk haar aan
zeg haar dat ze op deel 42 staat
ik wijs naar haar skischoenen
en ze stapt van het papier af
gaat naast haar vader zitten
oefent met het strikken van zijn veters
voor haar te behalen diploma

terwijl ik daarnaar kijk
word ik vergezeld
ongenodigd en tegelijkertijd
door mijn herinneringen aan deze school, de lessen van Lucas,
en deel 42
– komt het vanzelf vanzelf –
en een 85-jarige taomeester
die ik een paar jaar geleden opzocht
– met een opschrijfboekje en een opnameapparaat

hij zette me na een kopje thee de deur uit
om een taoïstische ceremonie voor te bereiden
een diner zou het worden
in de gang zag ik het servies staan
wijnglazen zonder voetjes

ik vroeg wat dat was
die glazen moet je neerzetten op tafel
zei hij
waarna ze natuurlijk direct omvallen en
mensen spontaan van hun stoel moeten opspringen om ze op te vangen

het is mijn taak
als taomeester
om Gelegenheid te creëren voor het vanzelf
want dat is de tao

die ceremonie
het oefenen voor het veterdiploma
deel 42
waren daar in dat café
terwijl mijn koffie koud aan het worden was

ik had die man opgezocht omdat ik wilde weten wat circulaire tijd is
en taomeesters schijnen dat te weten
ik had ook een opnameapparaatje bij me
en terwijl ik dat ding tussen ons in legde
zei ik sorry
het zag eruit als mijn grote onvermogen met een plofkap erop
van mij mag je alles opnemen zei hij
maar je zult daardoor minder goed luisteren
ik knikte
daar heb je waarschijnlijk gelijk in zei ik
en had toch de moed niet om het weg te halen
na vijf minuten was mijn opnameapparaatje gestopt met vastleggen
bleek toen ik het terugluisterde
en dus moest ik het doen met mijn herinnering aan wat hij had gezegd
over circulaire tijd
wat heel weinig is

ik herinner me dat het waar was
wat hij zei
maar wat hij zei
herinner ik me niet

en daar zal ik het mee moeten doen
met de herinnering aan waarheid
of eigenlijk de herinnering aan de ervaring van waarheid
en dan de woorden daarvoor niet meer hebben

ik vroeg hem ook nog waarom zoveel in de tao te tjing
in tegenspraak was geformuleerd
waarop hij zei
dat je anders bezit zult nemen van de woorden die er staan
en dat dat nooit goed kan aflopen

ondertussen doet de vader het nog één keer voor
heel langzaam
maakt hij zijn veters vast
en weer los
ooit komt het vanzelf
vanzelf
zijn handen zijn het bewijs

_

wat ik had gehoopt te kunnen citeren
uit de voorstelling
de ondergang van de Titanic heeft nooit plaatsgevonden

was een deeltje over Petrarca
over wie wordt gezegd dat hij als eerste een berg beklom
gewoon
of niet gewoon
helemaal niet gewoon
maar om naar beneden te kunnen kijken
en ik geloof dat er een korte stilte viel
tijdens die voorstelling
waarna de zin kwam
en hij stond daar
met Augustinus in zijn binnenzak

en ik weet nog
dat ik op dat punt in de voorstelling
moest huilen
waarom weet ik niet precies
maar het had te maken met het idee
dat Petrarca natuurlijk niet alleen
niet alleen maar met zijn eigen eenzaamheid
die berg op is geklommen
maar de eenzaamheid van Augustinus in zijn binnenzak droeg
de eenzaamheid van Augustinus nodig had
om die berg op te kunnen

en je kunt natuurlijk nooit weten of Petrarca het uit zijn hoofd kende
de belijdenissen
en of hij staande op de berg
dacht aan het citaat
dat ook in De hiel van Kuifje staat

‘Een tegenwoordige tijd van het verleden, een tegenwoordige tijd van het tegenwoordige en een tegenwoordige tijd van het toekomstige. In de ziel bevindt zich dit drietal, elders dan in de ziel zie ik dit niet: de tegenwoordige tijd van het verleden is de herinnering, de tegenwoordige tijd van het tegenwoordige is de aanschouwing, de tegenwoordige tijd van het toekomstige is de verwachting.’

ik kan me goed voorstellen dat je een berg wil beklimmen
omdat je precies in het midden van dat landschap wil staan
en herinnerd wil worden aan het feit dat het verleden
het heden en de toekomst
allemaal een soort van tegenwoordige tijd is

dat je een berg opgaat omdat je herinnerd wil worden aan het feit dat je de dingen misschien niet meer hebt
je haar
je gehoor
je jeugd
maar dat ze er nog wel zijn

het nisje bijvoorbeeld voor het raam in Amsterdam Zuid, waar de taomeester woont en waar twee mannen bezig zijn met het snoeien van de bomen buiten
we drinken thee en ik vraag hem wat circulaire tijd is
hij zegt heel lang niks en ik vraag me af of dit zijn antwoord is
uiteindelijk zegt hij

wij zitten hier nu thee te drinken
voor ons zaten er al mensen thee te drinken
en na ons zullen hier mensen thee drinken
wij zitten hier dus al een eeuwigheid thee te drinken.

ook dat leek me een daad van vertrouwen
alsof die manier van ernaar te kijken
je de toestemming geeft om te verdwijnen
omdat dat eigenlijk niet gebeurt

in het begin van de Nwe Tijd werd mij weleens gevraagd
of ik niet bang was voor een te dwingende erfenis
die vraag is mij allang niet gesteld
maar als mij die vraag nu nog gesteld zou worden
zou ik zeggen dat ik niet bang ben voor een erfenis
maar nogal dankbaar dat ik een afkomst heb

ik geloof dat ik die ervaring uit de voorstelling wilde citeren
wat niet kan
en ook daar ben ik blij mee
dat ik het eigenlijk niet kan citeren

wij zijn hier nu samengebracht
in deze doos
en als de deur opengaat
waaien we weg
sowieso
althans ik
ik waai heel makkelijk weg

en misschien dat ik
als ik iets zou willen citeren van deze dag
in mijn eentje een berg ga beklimmen

en misschien dat ik iets
iemand van deze dag tegenkom
jullie allemaal tegenkom
in de tegenwoordige tijd van
heden verleden en toekomst

ik heb geen idee wat ik boven op die berg ga denken
terwijl ik achteloos mijn veters strik
een steentje leg op de berg van andere stenen
een berg die in feite een opschrijfboekje is dat zegt
wij waren hier

ik heb geen idee

maar als ik de inhoud van deze doos mag geloven
en precies op de goede plek ga staan in de spanningsdriehoek van de geest
van de genade
van de ziel
en de zeilen van verwondering opgetrokken zijn
dan is er gelegenheid

en dan bestaat er de kans
dat de rest
vanzelf komt

© Marianne Hommersom

+++

Rebekka de Wit

is schrijver (1985). Ze studeerde in 2011 af aan de opleiding Woordkunst aan het Koninklijk Conservatorium Antwerpen. Vanaf 2016 nam ze samen met Freek Vielen en Suzanne Grotenhuis de artistieke leiding over van het Antwerpse theatergezelschap De Tijd. Samen vormden ze het om tot theater de Nwe Tijd. Sinds 2020 is ze columnist bij dagblad De Standaard.