This article is only available in Dutch.

Review

The vanishing point of art and mysticism

Veerle Fraeters
Universiteit Antwerpen

'Momentopnamen uit een innerlijke reis’, zo noemt kunst- en cultuurfilosoof Antoon Van den Braembussche de teksten die hij in De stilte en het onuitsprekelijke heeft gebundeld. Het boek biedt geen strak betoog maar presenteert zich als ‘een meditatie’ (p. 11). In het voorwoord reikt de auteur de lezer drie thematische sleutels aan die helpen om de onderliggende samenhang tussen de verzamelde teksten te begrijpen. Het gaat met name om de groeiende aandacht voor stilte in een tijd van continue beeld- en geluidsoverlast, de band tussen het sublieme in de kunst en de mystiek van Oost en West, en het principe van de non-dualiteit.

De verzamelde teksten zijn geordend als een diptiek waarvan de twee luiken met elkaar verbonden zijn via een tussenstuk dat bestaat uit een reeks losse reflecties over de stilte en het onuitsprekelijke. Het eerste luik bevat drie essays over hedendaagse kunst en hoe die als doorgeefluik kan fungeren voor het sublieme. Een kunstwerk kan ons naar de grens van het onzegbare vervoeren en laat ons daar sprakeloos achter. In het tweede deel laat de auteur denkers uit de mystieke traditie van Oost en West aan het woord. Anders dan wij staan zij niet sprakeloos tegenover het sublieme, integendeel: het onzegbare is precies waar zij het aldoor over hebben. Ze hebben er een taalregister voor ontwikkeld en kunnen gidsen zijn.

Het eerste deel opent met “Het gezicht van Bibi Aisha”. Via een analyse van de tot World Press Photo 2010 bekroonde portretfoto, betoogt Van den Braembussche dat, anders dan de Franse postmodernist Baudrillard beweert, sommige beelden wel degelijk kunnen uitstijgen boven de overweldigende beeldoverlast die onze tijd kenmerkt. De foto van de door de Taliban verminkte jonge vrouw heeft onmiskenbaar impact gehad, en dat op verschillende niveaus. Het tonen van haar verminking vormt een luide kritiek op de vrouwenhaat die in sommige delen van de wereld bestaat. Tegelijkertijd trekt de open blik waarmee de vrouw ons rechtstreeks aankijkt onze aandacht weg van de verminking. Haar ogen onthullen een ontzagwekkende overlevingskracht en schoonheid die de verminking en de historische gesitueerdheid transcendeert. Door die dubbele werking, de socio-kritische en de sublieme, verenigt de foto ogenblik en tijdloosheid, individualiteit en universaliteit, en biedt ze de kijker de mogelijkheid om een moment lang de paradoxale simultaneïteit van het concrete en het sublieme te ervaren.

Ook de twee volgende essays behandelen het onthullende vermogen van kunst. In “Weerkaatste stilte” reflecteert Van den Braembussche, in dialoog met onder meer Hegel en Heidegger, over de functie van de tempel als bemiddelaar tussen hemel en aarde. Als casus fungeert Memento van de Vlaamse kunstenaar Wesley Meuris, een sculptuur die het Hagelandse landschap bij Borgloon (België) markeert. Het eerste luik sluit af met een essay over muziek: de kunst die, meer dan andere kunsten, het onuitsprekelijke lijkt te kunnen weergeven. “Stilte en muziek” is een losse causerie waarin Van den Braembussche nadenkt over hoe stilte de bestaansvoorwaarde vormt van muziek. Bevoorrechte gesprekspartners zijn de Franse musicoloog Jankélévitch, de Japanse componist Takemitsu en de negentiende-eeuwse muziekcriticus Hanslick.

In het tweede luik introduceert Van den Braembussche drie mystieke auteurs. Het gaat om twee mystici uit de christelijke traditie: pseudo-Dionysius de Areopagiet en Meister Eckhart. En een figuur uit het Oosten: de Japanse zenleraar Dōgen, over wie Van den Braembussche al eerder publiceerde. In tegenstelling tot de meanderende beschouwingen uit het eerste deel, gaat het hier om meer gestructureerde verkenningen. Eerst worden leven en werk van de betreffende mysticus geschetst. Daarna worden de centrale aspecten van diens mystieke leer besproken en wordt in het bijzonder stilgestaan bij de visies op taal en stilte, en op de paradoxale non-dualiteit.

Pseudo-Dionysius (vijfde eeuw) staat bekend als de grondlegger van de ‘negatieve theologie’. In zijn traktaatje Theologia mystica beschrijft hij de weg terug van de mens naar zijn ware oorsprong. Die oorsprong is God, die boven alle ‘zijndheid’ is en die we bijgevolg alleen in negatieve termen kunnen benaderen. Met die onkenbare God is elk mens in zijn diepste kern, zijn ‘overwezen’, verbonden. De weg terug naar de oorsprong is daarom een mystieke [letterlijk: ‘verborgen’] reis in onze binnenwereld naar die universele, goddelijke kern. De reis behelst een proces van zelfontlediging waarin het subject alle individuele gedachten en verlangens, alle particuliere waarden en identiteiten loslaat. Van den Braembussche zegt getroffen te zijn door de overeenkomsten met het boeddhisme. Ook de Japanse zenmeester Dōgen (dertiende eeuw) predikt het loslaten van alle gehechtheden als het enige juiste pad naar verlichting. Ook dat pad wordt gezien als ‘een weg terug’, een terugkeer naar ‘het oorspronkelijke gelaat’. Ook hier gaat het om een weg naar binnen, want de boeddhanatuur is in de kern van elk mens aanwezig. De mystieke weg is dan de actualisering van die eeuwige boeddhanatuur in het hier en nu.

In het slotessay onderzoekt Van den Braembussche via een bespreking van de figuur en de mystieke leer van de dominicaan Meister Eckhart († 1328) de relatie tussen de westerse mystiek en zen. Het verschil is welbekend: het zenboeddhisme is atheïstisch en formuleert het doel van het spirituele pad als een bevrijding van alle illusie, terwijl de christelijke mystici streven naar eenheid met God die begin en einde van alles is. De auteur kiest er echter voor om de parallellen in het licht te stellen. Beide tradities delen een mystieke praktijk van gestage zelfontlediging door middel van een volgehouden houding van niet-streven en niet-weten. Ze delen een mystiek mensbeeld dat het wezen van de persoon plaatst in een overwezen dat eeuwig ongeboren is. En ze delen een mystiek wereldbeeld waarin alleen het ‘eeuwig nu’ werkelijk bestaat en waarin alle dualiteit, ook die tussen leven en dood, is overstegen.

Hoe deze inzichten van de mystici precies vruchtbaar gemaakt kunnen worden voor het denken over kunst, komt de lezer van De stilte en het onuitsprekelijke niet te weten. In de inleiding beperkt Van den Braembussche zijn ambitie op postmoderne wijze tot ‘het tonen van raakvlakken’. Via welke elementen, op welke niveaus en in dienst van welke horizon kunst en mystiek, het sublieme en het spirituele, elkaar precies ‘raken’, blijft onbesproken. Zelfs de eerste aanzet voor een denken over de relatie tussen beide, namelijk de omschrijving van een conceptueel kader, is afwezig. Buiten hier en daar een toevallige etymologische verklaring van secundaire begrippen (bijvoorbeeld ‘sacraal’), ontbreekt elke begripsomschrijving. De kernbegrippen ‘subliem’, ‘mystiek’, ‘spiritualiteit’ worden in beide luiken van de bundel kwistig gebruikt, maar nergens krijgt de lezer een idee van wat de auteur eronder verstaat. De ene keer staan ze als quasi-synoniemen naast elkaar in een opsomming, de andere keer worden ze tegenover elkaar geplaatst.

Ook het cruciale onderscheid tussen de ‘mystieke ervaring’ en de ‘mystieke weg’ wordt te weinig gethematiseerd. De momentane mystieke eenheidservaring en de esthetische ervaring van het sublieme zijn op fenomenologisch vlak sterk gelijkend. Het is vanuit deze aanname van parallellie dat Van den Braembussche de opzet van zijn boek motiveert en de hedendaagse kunst in juxtapositie brengt met de premoderne mystiek. Alleen: over die overweldigende ervaring hebben de mystici het in hun geschriften zelden of nooit. Zij (s)preken over het gestage proces van zelfontlediging in dienst van een zelfoverschrijdend project: de eenwording met God, respectievelijk de realisatie van de boeddhanatuur. De momentane eenheidservaring is in dat levenslange proces niet meer dan een mogelijk moment. Waarin bestaat dan nog het verbindingsteken tussen de twee delen van de bundel?

Aan het eind van De stilte en het onuitsprekelijke wordt duidelijk dat voor Van den Braembussche het postmoderne differentiedenken als onuitgesproken achtergrond voor zijn diptiek fungeert. Het slotessay over ‘Eckhart en zen’ heeft als hoofdtitel een impliciet citaat. Kenners van de postmoderne filosoof Derrida zullen “Hoe niet te spreken” inderdaad herkennen als de titel van een van diens essays. De niet-gewaarschuwde lezer echter is verrast wanneer op de laatste bladzijde van het boek de focus plotseling van Eckhart naar Derrida verschuift, met als overgang het laconieke zinnetje: ‘Hier is een woordje over Derrida op zijn plaats’ (p. 169). Eerder dan te wijzen op de mogelijkheden van het mystieke mens- en wereldbeeld voor het denken over het sublieme in de kunst – wat, gezien de opzet van de bundel, een evidente afsluiter zou vormen – benut Van den Braembussche de slotalinea’s om de mystiek van Oost en West in extremis en zonder verdere reflectie langs de meetlat te leggen van Derrida’s radicaal seculiere differentiedenken. Het zenboeddhisme, dat stelt dat de boeddhanatuur elk moment opnieuw gerealiseerd moet worden, zou dan volgens de auteur net ietsje beter aansluiten bij Derrida dan de christelijke mystieke traditie. Dit besluit is uiteraard geen verrassing voor wie weet dat Derrida zich in zijn publicaties zélf van de negatieve theologie heeft gedistantieerd.

Het is jammer dat Van den Braembussche op zijn verkenningsreis naar de raakvlakken tussen kunst en mystiek voortijdig aanmeert bij de gekende oever van het differentiedenken. Andere mogelijke vluchtpunten tussen kunst en mystiek blijven buiten beeld. Om het mystieke werkelijk een plaats te geven in de kunstfilosofie zullen verdere horizonten moeten worden verkend. Door essays over kunst en mystiek zonder taboe in één bundel onder te brengen, heeft Van den Braembussche daarvoor alvast een mooi startsignaal gegeven. De reis naar wat beide velden verbindt, kan beginnen.

+++

Veerle Fraeters

Universiteit Antwerpen

veerle.fraeters@uantwerpen.be